ECLI:NL:RBDHA:2026:19630
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen oplegging vrijheidsontnemende maatregel in asielgrensprocedure ongegrond verklaard
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2026 waarbij aan haar een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had eiseres verplicht zich op te houden in een beveiligde ruimte in het kader van de asielgrensprocedure.
Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom haar asielaanvraag zich leent voor de grensprocedure, mede omdat zij behoort tot de LHBTI-gemeenschap in Rusland en vreest voor vervolging. De rechtbank overwoog dat de minister niet verplicht is vooraf te toetsen of het verzoek inwilligbaar is en dat een redelijke termijn moet worden gegund om nader onderzoek te verrichten, waaronder het horen van de vreemdeling.
De rechtbank vond geen aanleiding om het standpunt van de minister te verwerpen en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.