ECLI:NL:RBDHA:2026:19630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37975
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.1a VbArt. 6 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen oplegging vrijheidsontnemende maatregel in asielgrensprocedure ongegrond verklaard

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2026 waarbij aan haar een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had eiseres verplicht zich op te houden in een beveiligde ruimte in het kader van de asielgrensprocedure.

Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom haar asielaanvraag zich leent voor de grensprocedure, mede omdat zij behoort tot de LHBTI-gemeenschap in Rusland en vreest voor vervolging. De rechtbank overwoog dat de minister niet verplicht is vooraf te toetsen of het verzoek inwilligbaar is en dat een redelijke termijn moet worden gegund om nader onderzoek te verrichten, waaronder het horen van de vreemdeling.

De rechtbank vond geen aanleiding om het standpunt van de minister te verwerpen en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37975

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. K. Nuninga.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen I.V. Christova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. [1] Op grond van artikel 5.1a van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze zaak zich leent voor de asielgrensprocedure. Eiseres heeft asiel aangevraagd aan de buitengrens omdat ze in Rusland vreest voor vervolging vanwege haar geaardheid. Eiseres is gedocumenteerd en behoort tot de LHBTI-gemeenschap in Rusland, zodat het voor de minister duidelijk had moeten zijn dat de asielaanvraag van eiseres zich niet leent voor afdoening in de grensprocedure.
4. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2016 [3] volgt dat in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielaanvragen mogen worden beoordeeld in de grensprocedure. De minister hoeft niet bij het opleggen van de maatregel een toets vooraf te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. De minister moet een redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Onder dat onderzoek valt onder meer dat een vreemdeling dient te worden gehoord over haar asielverzoek. De vraag of het asielverzoek zich leent voor verdere afdoening in de grensprocedure beantwoordt de minister in beginsel na het nader gehoor omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bovenstaand onderzoek niet zou mogen afwachten. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4] Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat een lichter middel toegepast had moeten worden. In het licht van het grensbewakingsbelang kan de maatregel in stand blijven.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.