ECLI:NL:RBDHA:2026:19631
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen oplegging vrijheidsontnemende maatregel in asielgrensprocedure ongegrond verklaard
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2026 waarbij aan haar een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had deze maatregel opgelegd in het kader van de asielgrensprocedure omdat eiseres niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden voor asiel aan de buitengrens.
Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom haar asielaanvraag zich leent voor de grensprocedure, mede omdat zij behoort tot de LHBTI-gemeenschap in Rusland en vreest voor vervolging. De rechtbank overweegt dat de minister niet verplicht is vooraf te toetsen of het verzoek inwilligbaar is en een redelijke termijn moet krijgen om nader onderzoek te verrichten, waaronder het horen van de vreemdeling.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het besluit te vernietigen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken en het belang van grensbewaking rechtvaardigt de maatregel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.