Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
[gedaagde 4],
1.Waar gaat de zaak over?
2.De procedure
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
precieskan vaststellen wat er destijds is gebeurd en besproken tussen vader en [eiser] . Dat heeft er mogelijk ook in geresulteerd dat [gedaagde 3] de eerder door de notaris opgestelde verklaring, waarin was opgenomen dat aan alle in de hypotheekakte opgenomen verplichtingen is voldaan, niet als zodanig heeft willen ondertekenen. In deze procedure dient de rechtbank de vordering echter juridisch te beoordelen aan de hand van het hiervoor (5.2 en 5.4) genoemde toetsingskader. Gelet op dit toetsingskader, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 3] zijn betwisting - in het licht van de gemotiveerde stellingen van [eiser] - onvoldoende heeft onderbouwd. In dit verband weegt de rechtbank mee dat [eiser] diverse stukken heeft overgelegd die erop wijzen dat de vordering in 2009 volledig is betaald. [gedaagde 3] heeft weliswaar vraagtekens geplaatst bij de stelling dat aan alle verplichtingen onder de hypotheekakte is voldaan, maar verder geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat dit
niethet geval is. Het enkel opwerpen van de vraag óf aan alle verplichtingen is voldaan en de mededeling dat [gedaagde 3] niet precies weet wat er destijds allemaal is besproken, kwalificeert niet als een (voldoende) gemotiveerde betwisting van de stellingen van [eiser] en is daarmee ook onvoldoende om tot een bewijsopdracht te kunnen komen. Concreet brengt het bovenstaande met zich dat de rechtbank de hypothecaire inschrijving waardeloos kan verklaren in de zin van artikel 3:29 BW Pro. De in dit verband primair gevorderde verklaring wordt dan ook afgegeven.