ECLI:NL:RBDHA:2026:19636

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/09/696361 / HA ZA 25-1134
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.E. Povel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:29 BWArt. 3:274 BWArt. 139 RvArt. 140 lid 3 RvArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardeloosverklaring hypothecaire inschrijving na aflossing lening door erfgenaam

Partijen zijn broers en zussen die erfgenamen zijn van hun in 2021 overleden ouders. In 1992 verstrekte de vader een lening aan eiser en een van de gedaagden, waarbij een recht van hypotheek werd gevestigd op meerdere percelen grond. Eiser nam in 1999 de verplichtingen onder de hypotheekakte op zich na een verdeling van de percelen. Volgens eiser is de lening in 2009 volledig afgelost, maar de hypothecaire inschrijving is nooit uitgeschreven.

Eiser vordert waardeloosverklaring van de hypothecaire inschrijving op grond van artikel 3:29 BW Pro en verzoekt de rechtbank om gedaagden te veroordelen tot medewerking aan de doorhaling. Gedaagde 3 betwist dat alle verplichtingen, waaronder renteverplichtingen, zijn voldaan en wijst op het ontbreken van onderliggende betaaldocumentatie.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en bewijslast rusten op eiser, die een brief van de accountant overlegt waaruit blijkt dat de lening in 2009 is afgelost. Gedaagde 3 heeft zijn betwisting onvoldoende concreet onderbouwd en kan niet aantonen dat de vordering nog bestaat. De rechtbank verklaart de hypothecaire inschrijving waardeloos, wijst de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af vanwege artikel 3:29 lid 4 BW Pro en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de hypothecaire inschrijving waardeloos omdat de lening in 2009 volledig is afgelost.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/696361 / HA ZA 25-1134
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R. Teerink,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 2] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 3] ,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats 4] ,
advocaat: mr. J.M.H. Devis,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen ook te noemen: [gedaagden] c.s., en de gedaagde sub 1 afzonderlijk [gedaagde 1] , de gedaagde sub 2 afzonderlijk [gedaagde 2] , de gedaagde sub 3 afzonderlijk [gedaagde 3] en de gedaagde sub 4 afzonderlijk [gedaagde 4] .

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
Partijen zijn broers en zussen. [eiser] en [gedaagde 4] hebben in 1992 geld geleend van de vader van partijen. Daarbij is een recht van hypotheek gevestigd op percelen grond. [eiser] en [gedaagde 4] zijn in 1999 tot een verdeling van deze percelen gekomen en [eiser] heeft de verplichtingen onder de hypotheekakte daarbij op zich genomen. Vader is in 2021 overleden en partijen zijn allen erfgenamen. De lening waarvoor het recht van hypotheek is verstrekt is volgens [eiser] al in 2009 afgelost, maar het recht van hypotheek is nooit uitgeschreven. [eiser] vraagt de rechtbank te verklaren dat het recht van hypotheek waardeloos is. [gedaagde 3] voert verweer. De gevorderde verklaring wordt gegeven.
1.2.
Het vonnis is als volgt opgebouwd. De rechtbank noemt eerst welke stukken door partijen zijn ingediend en hoe de procedure is verlopen. Dan volgt een beschrijving van de feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn en waarover partijen het eens zijn. Vervolgens vat de rechtbank de vorderingen samen die zijn ingesteld. Daarna volgt de beoordeling van die vorderingen en de juridische argumenten die partijen over en weer naar voren hebben gebracht. Het vonnis wordt afgesloten met de beslissingen op de vorderingen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 december 2025 met producties 1 tot en met 10,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] met producties 1 tot en met 6,
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 11 en 12.
2.2.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zijn niet in de procedure verschenen. De rechtbank heeft daarom verstek tegen hen verleend. Tussen [eiser] en [gedaagde 3] heeft op 26 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser] en [gedaagde 3] hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De rechtbank wijst nu één vonnis tussen alle partijen. Dit vonnis wordt, ook jegens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , als een vonnis op tegenspraak beschouwd (zie ook de artikelen 139 en artikel 140 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv).

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn broers en zussen. Zij zijn de kinderen van de heer [vader] en mevrouw [moeder] (hierna: vader respectievelijk moeder).
3.2.
Vader en moeder zijn beiden in 2021 overleden. Partijen zijn allen erfgenamen.
3.3.
In 1992 heeft vader een geldlening van fl. 638.000 verstrekt aan [eiser] en [gedaagde 4] . Daarbij is een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van vader op de volgende registergoederen:
- perceel bloembollenland, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 1];
- perceel bloembollenland, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 2];
- perceel bloembollenland, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 3].
3.4.
[eiser] en [gedaagde 3] zijn in 1999 tot een verdeling van de percelen gekomen. Het recht van hypotheek is blijven bestaan. [eiser] heeft de verplichtingen onder de hypotheekakte daarbij op zich genomen.
3.5.
[eiser] heeft het perceel met nummer [kadastraal kenmerk 3] verkocht. Het perceel met nummer [kadastraal kenmerk 2] is hernummerd en heeft thans het nummer [kadastraal kenmerk 4]. De hypothecaire inschrijving rust op dit moment nog op de volgende registergoederen (beiden in eigendom van [eiser] ):
- perceel bloembollenland, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 1];
- perceel bloembollenland, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 4].
3.6.
In een brief van 26 juni 2025 van de heer [naam] (senior accountant bij Flynth adviseurs en accountants B.V. en hierna: de accountant) aan [eiser] is het volgende opgenomen:
“[...] Naar aanleiding van uw verzoek kunnen wij op basis van de ons bekende en door ons opgestelde jaarrekeningen en belastingaangiften bevestigen dat u de lening aan uw ouders in 2009 volledig heeft afgelost.
Uit onze archieven kunnen wij het verloop van de lening achterhalen over de periode van het jaar 2002 tot en met het jaar 2009. Een overzicht treft u aan als bijlage.
Deze informatie hebben wij herleid en geverifieerd aan de belastingaangiften van uw ouders enerzijds en de jaarrekeningen van uw onderneming anderzijds. [...]”
3.7.
In de bijlage bij de brief van de accountant is het volgende overzicht opgenomen:
3.8.
In de bijlage bij de brief van de accountant is daarnaast onderstaand gedeelte uit de jaarrekening 2009 van [eiser] opgenomen:
3.9.
In de bijlage bij de brief van de accountant is voorts het volgende opgenomen (afkomstig uit het persoonlijk rapport over het jaar 2009 van vader en moeder):
[...]

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
a. verklaart dat de hypothecaire inschrijving bekend als [nummer] ten laste van de registergoederen kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 5], en [kadastraal kenmerk 4], waardeloos is in de zin van artikel 3:29 BW Pro;
subsidiair
[gedaagden] c.s. veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan de doorhaling van de hypothecaire inschrijving binnen twee weken na de betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
bepaalt dat [eiser] , indien [gedaagden] c.s. binnen zes weken na de betekening van het vonnis hun medewerking niet hebben verleend, gemachtigd is voor de doorhaling van de hypothecaire inschrijving zorg te dragen en, voor zover nodig, dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm gemaakte akte waarin [gedaagden] c.s. verklaren mee te werken aan de doorhaling van de hypothecaire inschrijving.
primair en subsidiair
[gedaagde 3] veroordeelt in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat het recht van hypotheek is tenietgegaan omdat de hypothecaire geldlening in 2009 is afgelost. Zijn broers en zussen moeten daarom bij authentieke akte verklaren dat de hypotheek is vervallen, waarna het recht van hypotheek administratief kan worden doorgehaald. Omdat [gedaagde 3] weigert de verklaring af te geven, kan de rechtbank de hypothecaire inschrijving waardeloos verklaren.
4.3.
[gedaagde 3] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Hij legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij aan alle uit de hypotheekakte voortvloeiende verplichtingen (inclusief de renteverplichtingen) heeft voldaan. Onderliggende betaaladministratie ontbreekt bijvoorbeeld. Het feit dat vader en [eiser] niet eerder zijn overgegaan tot doorhaling van het recht van hypotheek, is bovendien een indicatie dat mogelijk nog niet aan alle verplichtingen onder de hypotheekakte is voldaan, aldus [gedaagde 3] .
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Ten aanzien van de gevorderde waardeloosverklaring (artikel 3:29 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) overweegt de rechtbank als volgt. Een recht van hypotheek strekt tot zekerheid voor de nakoming van een vordering tot betaling van een geldsom. Als “afhankelijk recht” gaat het recht van hypotheek teniet wanneer de vordering teniet gaat, bijvoorbeeld door betaling, verjaring of verrekening van de vordering. Artikel 3:274 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer een hypotheek is tenietgegaan, de schuldeiser (in dit geval de erfgenamen, toevoeging rechtbank) verplicht is aan de rechthebbende op het bezwaarde goed op diens verzoek en op diens kosten bij authentieke akte een verklaring af te geven, dat de hypotheek is vervallen. Lid 3 van artikel 3:274 BW Pro bepaalt dat artikel 3:29 BW Pro van toepassing is wanneer deze verklaring niet wordt afgegeven. Op grond van artikel 3:29 BW Pro kan de rechtbank een hypothecaire inschrijving waardeloos verklaren op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Daarvoor moet vast komen te staan dat de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekte is tenietgegaan.
5.2.
[eiser] stelt zich (primair) op het standpunt dat het recht van hypotheek is tenietgegaan door betaling van de vordering. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat [eiser] een waardeloosverklaring vordert op grond van artikel 3:29 BW Pro, rusten de stelplicht en zo nodig de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vordering is tenietgegaan op hem. Dit volgt uit artikel 150 Rv Pro. Concreet betekent dit dat [eiser] niet alleen moet aanvoeren dat de vordering is tenietgegaan door betaling, maar ook dat hij zijn stellingen op dit punt moet concretiseren, aanvullen en - zo nodig - nader moet onderbouwen: met algemeenheden kan niet worden volstaan.
5.3.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vordering is tenietgegaan door betaling overlegt [eiser] een brief van zijn accountant (destijds ook de accountant van vader). In deze brief verklaart de accountant dat hij op basis van de hem bekende (en door zijn bedrijf opgestelde) jaarrekeningen en belastingaangiften over de periode 2002 tot en met 2009 kan bevestigen dat [eiser] de lening in 2009 volledig heeft afgelost. Bij de brief is een overzicht gevoegd van de jaarlijkse stand van de lening (2002 tot en met 2009) en de per jaar betaalde rente. Ook is een deel van de jaarrekening 2009 van [eiser] bijgevoegd waaruit volgt dat de “Lening o/g; [vader]” op 31 december 2009 nihil bedroeg. Ten slotte is een deel van het persoonlijk rapport over het jaar 2009 van vader en moeder opgenomen. Hieruit volgt eveneens een bedrag van € 0,00 onder “Contant geld en vorderingen”, “[eiser]” op 31 december 2009. [eiser] heeft verder toegelicht dat hij, gelet op het tijdsverloop, met uitzondering van de bewaarde jaarrekeningen over de periode 2002 tot en met 2009 geen beschikking meer heeft over onderliggende documentatie. Ten aanzien van de in de hypotheekakte opgenomen renteverplichtingen heeft [eiser] ter zitting nog toegelicht dat zijn vader en hij, onder begeleiding van de accountant, de depositorente van de Rabobank steeds als leidraad hebben genomen.
5.4.
Tegenover de stellingen van [eiser] staat de betwisting van [gedaagde 3] . De rechtbank overweegt dat ook voor [gedaagde 3] geldt dat hij zijn betwisting voldoende concreet moet motiveren en onderbouwen. Daarbij is sprake van een wisselwerking; hoe concreter de stellingen van de ene partij zijn, hoe concreter ook de andere partij op die stellingen moet reageren. De betwister ( [gedaagde 3] ) kan dan niet volstaan met een “kale” betwisting, maar zal ook concreet moeten maken wat er niet klopt aan het feitelijke relaas van de partij op wie de stelplicht rust ( [eiser] ).
5.5.
[gedaagde 3] voert aan dat hij wel wil meewerken aan de doorhaling van de hypothecaire inschrijving, maar dat op basis van de door [eiser] overgelegde stukken niet met zekerheid kan worden gezegd dat aan alle in de hypotheekakte opgenomen verplichtingen (waaronder de renteverplichtingen) is voldaan. Daarbij weegt voor [gedaagde 3] mee dat de accountant weliswaar verklaart dat er rente is betaald, maar niet dat dit ook de juiste rente (conform de hypotheekakte) was. Onderliggende bankafschriften of stukken die zien op de in de hypotheekakte opgenomen halfjaarlijkse vaststelling van de te betalen rente ontbreken. Het feit dat vader en [eiser] niet eerder zijn overgegaan tot doorhaling van de hypothecaire inschrijving, is volgens [gedaagde 3] bovendien een indicatie van het feit dat mogelijk nog niet aan alle verplichtingen is voldaan. Gelet op de (werk)ervaring van [eiser] en vader, en het feit dat het recht van hypotheek tijdens eerdere transacties al aan de orde moet zijn gekomen, ligt het niet voor de hand dat [eiser] en vader de inschrijving destijds zijn vergeten, aldus [gedaagde 3] .
5.6.
De rechtbank stelt voorop dat zij ziet en begrijpt dat partijen in een impasse zitten. Juist is dat [gedaagde 3] niet
precieskan vaststellen wat er destijds is gebeurd en besproken tussen vader en [eiser] . Dat heeft er mogelijk ook in geresulteerd dat [gedaagde 3] de eerder door de notaris opgestelde verklaring, waarin was opgenomen dat aan alle in de hypotheekakte opgenomen verplichtingen is voldaan, niet als zodanig heeft willen ondertekenen. In deze procedure dient de rechtbank de vordering echter juridisch te beoordelen aan de hand van het hiervoor (5.2 en 5.4) genoemde toetsingskader. Gelet op dit toetsingskader, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 3] zijn betwisting - in het licht van de gemotiveerde stellingen van [eiser] - onvoldoende heeft onderbouwd. In dit verband weegt de rechtbank mee dat [eiser] diverse stukken heeft overgelegd die erop wijzen dat de vordering in 2009 volledig is betaald. [gedaagde 3] heeft weliswaar vraagtekens geplaatst bij de stelling dat aan alle verplichtingen onder de hypotheekakte is voldaan, maar verder geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat dit
niethet geval is. Het enkel opwerpen van de vraag óf aan alle verplichtingen is voldaan en de mededeling dat [gedaagde 3] niet precies weet wat er destijds allemaal is besproken, kwalificeert niet als een (voldoende) gemotiveerde betwisting van de stellingen van [eiser] en is daarmee ook onvoldoende om tot een bewijsopdracht te kunnen komen. Concreet brengt het bovenstaande met zich dat de rechtbank de hypothecaire inschrijving waardeloos kan verklaren in de zin van artikel 3:29 BW Pro. De in dit verband primair gevorderde verklaring wordt dan ook afgegeven.
5.7.
[eiser] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit betekent dat het vonnis direct kan worden uitgevoerd ongeacht een hoger beroep. Dit verhoudt zich echter niet met artikel 3:29 lid 4 BW Pro, waarin is bepaald dat het vonnis dat de verklaring van waardeloosheid bevat niet kan worden ingeschreven voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Kracht van gewijsde wil zeggen dat het vonnis definitief en onherroepelijk is geworden, omdat daartegen geen gewoon rechtsmiddel zoals hoger beroep is ingesteld. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt dan ook afgewezen.
De proceskosten
5.8.
[eiser] vordert dat (uitsluitend) [gedaagde 3] veroordeeld wordt in de proceskosten. Gelet op de relatie tussen partijen (broers) zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verklaart de hypothecaire inschrijving bij het kadaster bekend als [nummer] ten laste van de registergoederen kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 5], en [kadastraal kenmerk 4], waardeloos in de zin van artikel 3:29 BW Pro,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel, rechter, bijgestaan door mr. M.T. Wempe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.