ECLI:NL:RBDHA:2026:19638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.31069 en NL26.31070
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Jemenitische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Tsjechië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden omdat hij in Tsjechië discriminatie heeft ervaren en vreest dat hij bij terugkeer behandeld zal worden in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Tevens stelde hij dat hij een sterkere band met Nederland heeft dan met Tsjechië.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië zulke tekortkomingen vertoont dat er een reëel risico is op schending van genoemde artikelen. Ook de stelling dat hij een sterkere band met Nederland heeft, is onvoldoende om af te wijken van de overdracht aan Tsjechië. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.31069 en NL26.31070
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Tsjechië ervoor verantwoordelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Verweerder heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Tsjechië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mag niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië, omdat eiser bij terugkeer behandeld zal worden in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest van de Europese Unie. Eiser heeft in Tsjechië namelijk discriminatie gezien en meegemaakt. Ook is niet in te zien waarom verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen op basis van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser wijst erop dat hij een betere band heeft met Nederland dan met Tsjechië, omdat hij hier langer verblijft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verweerder er in het algemeen van mag uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië dusdanige tekortkomingen heeft dat hij bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU-Handvest.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De algemene stelling dat eiser in Tsjechië discriminatie heeft gezien en meegemaakt is onvoldoende om aan te nemen dat er problemen zijn die zo ernstig zijn dat bij overdracht aan Tsjechië op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Artikel 17 van Pro de Dublinverordening geeft een bevoegdheid om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Uit verweerders beleid blijkt dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt. [3] Verweerder gebruikt de bevoegdheid als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Tsjechië. De enkele stelling dat eiser een sterkere band heeft met Nederland dan met Tsjechië, omdat hij hier langer verblijft, is niet genoeg voor een andere conclusie.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
7.1.
Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. [4]
7.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.