ECLI:NL:RBDHA:2026:19651

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
691002
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 lid 2 RvArt. 7:464 lid 2 onder b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig deskundigenbericht huisartsgeneeskunde met benoeming prof. dr. H.J. Schers

De rechtbank Den Haag behandelde op 16 juli 2026 het verzoek van verzoeker tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht op het gebied van huisartsgeneeskunde. Partijen hadden overeenstemming bereikt over de vraagstelling en de procedure. Na afweging van de voorgestelde deskundigen benoemde de rechtbank prof. dr. H.J. Schers als deskundige, omdat hij praktiserend huisarts is en bereid was het onderzoek uit te voeren.

De rechtbank stelde het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht vast op €1.815,00 inclusief btw, welke kosten gelijkelijk door partijen worden gedragen. De deskundige zal het onderzoek zelfstandig uitvoeren en binnen vier maanden een schriftelijk rapport indienen. Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek en het verstrekken van benodigde gegevens.

De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af, aangezien het verzoek tot deskundigenbericht werd toegewezen. De beschikking bevat gedetailleerde bepalingen over de uitvoering van het onderzoek, de rapportage en de rechten van partijen met betrekking tot inzage en blokkeringsrecht.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig deskundigenbericht toegewezen met benoeming van prof. dr. H.J. Schers als deskundige en gelijke kostenverdeling.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/691002 / HA RK 25-469
Beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat: voorheen mr. J. Keereweer te Zoetermeer, thans mr. J.L.J. van Apeldoorn te Rijswijk,
tegen

1.STICHTING HAAGSE GEZONDHEIDSCENTRA te Rijswijk,

2.
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.te Utrecht,
verweersters,
advocaat: mr. S.F. de Jong te Utrecht.
Verzoeker wordt hierna [verzoeker] genoemd. Verweersters worden hierna gezamenlijk verweersters genoemd en afzonderlijk het Gezondheidscentrum en VvAA.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 2 september 2025, met producties 1 en 2;
  • het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 3 december 2025 met producties 1 tot en met 11;
  • de brief van 25 september 2025 van mr. Keereweer waarin verweerster sub 1 als thans is aangegeven en een correctie in het verzoekschrift is vermeld.
1.2.
Op 11 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:
  • [verzoeker] , bijgestaan door mr. van Apeldoorn;
  • mr. de Jong.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is met partijen afgesproken dat zij gezamenlijk een inleiding voor de te benoemen deskundige zullen opstellen. Deze is op 8 januari 2026 binnen gekomen met een bijlagenlijst medische stukken. Beiden zijn aan deze beschikking gehecht.
1.4.
Ten slotte is een datum voor het geven van een beschikking bepaald.

2.De feiten

Voor een overzicht van de feiten wordt verwezen naar de gezamenlijk door partijen opgestelde inleiding die aan deze beschikking is gehecht.

3.Het geschil

3.1.
Het verzoek strekt tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht door een deskundige op het gebied van huisartsengeneeskunde, en daarbij:
  • prof. dr. H. de Vries, verbonden aan “Lege artis” Medische expertises, of prof. dr. C. van Weel, verbonden aan het Radboud UMC (Huisartsengeneeskunde), tot deskundige te benoemen;
  • te bepalen dat de kosten van het deskundigenbericht in gelijke mate over partijen moet worden verdeeld.
3.2.
Voor de standpunten van partijen wordt eveneens verwezen naar de aan deze beschikking gehechte inleiding die door partijen gezamenlijk is opgesteld.

4.De beoordeling

4.1.
Omdat verweersters het verzoek van [verzoeker] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek op zichzelf niet hebben weersproken en omdat is voldaan aan de formele vereisten van artikel 196 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en zich geen uitzondering voordoet, zal een voorlopig deskundigenonderzoek worden gelast.
Persoon van de deskundige
4.2.
Partijen hadden ter zitting overeenstemming bereikt om vier hoogleraren huisartsgeneeskunde die ook praktiserend huisarts zijn, zoals voorgesteld door de medisch adviseur van [verzoeker] bij brief van 20 mei 2025, te benaderen met de vragen of zij bereid en in staat zijn om het betreffende onderzoek te verrichten, of zij reeds eerder hebben gerapporteerd en of zij thans nog praktiserend huisarts zijn. Zij bleken echter niet in staat om als deskundige op te treden. Vervolgens stelde [verzoeker] voor om drs. J. Koehoorn, medisch expert bij Stichting DOKh in Alkmaar (hierna: Koehoorn), als deskundige te benoemen. Verweersters reageerden hierop dat zij niet met het optreden van Koehoorn kunnen instemmen, omdat Koehoorn thans (en reeds sinds drie jaar) geen praktiserend huisarts meer is. Verweersters stelden in de eerste plaats voor om dr. L.G. Bruijnooge-Nap, praktiserend huisarts en tevens medisch expert bij Stichting DOKh in Alkmaar (hierna: Bruijnooge-Nap), als deskundige te benoemen. [verzoeker] heeft aangegeven met zijn optreden als deskundige niet te kunnen instemmen, nu hij (anders dan Koehoorn) geen lid is van de NVMSR. In de tweede plaats stelden verweersters voor om prof. dr. H.J. Schers, praktiserend huisarts en tevens hoogleraar huisartsgeneeskunde aan het Radboudumc in Nijmegen (hierna: Schers), als deskundige te benoemen. [verzoeker] heeft in eerste instantie aangegeven ook niet met zijn benoeming te kunnen instemmen als gevolg van een eerder verkregen rapport in een andere zaak, welk rapport in die betreffende kwestie ter discussie staat.
4.3.
De rechtbank heeft besloten om Schers en Bruijnooge-Nap te benaderen en niet Koehoorn, omdat zij niet langer als praktiserend huisarts werkzaam is, terwijl dit voor [verzoeker] juist van belang is. Beide partijen hebben bij bericht aan de rechtbank van 7 juli 2026 laten weten dat zij de voorkeur geven aan het benoemen van Schers als deskundige.
4.4.
Schers heeft de rechtbank bij e-mail van 1 juli 2026 desgevraagd laten weten bereid en in staat te zijn om in deze zaak als deskundige op te treden. De rechtbank zal Schers daarom tot deskundige benoemen.
Vraagstelling
4.5.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vraagstelling.
4.6.
Aan de te benoemen deskundige zal de volgende vraagstelling voorgelegd worden:
Vraag 1
a) Beschikt u over voldoende gegevens om de hierna te stellen vragen te beoordelen en beantwoorden?
b) Indien dit niet het geval is, wilt u dan aan partijen laten weten welke gegevens u nog nodig heeft?
Vraag 2
a) Bent u van mening dat de betrokken huisarts bij het consult van 11 maart 2020 in strijd heeft gehandeld met de op dat moment geldende professionele standaard?
b) Is het onderzoek c.q. de diagnostiek op 11 maart 2020 door de betrokken huisarts onzorgvuldig geweest in die zin dat zij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam vakgenoot onder dezelfde omstandigheden verwacht had mogen worden?
c) Indien er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen bestaan, kunt u dan in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen? Zo ja, kunt u dan aangeven (welke uw eigen opvatting is en) of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?
d) Indien u meent dat van onzorgvuldig handelen sprake is, wilt u dan zo uitvoerig en gemotiveerd mogelijk aangeven waaruit dit onzorgvuldig handelen bestaat en hoe wel gehandeld had moeten worden? Wilt u bij uw antwoord zo mogelijk relevante literatuur vermelden?
Vraag 3
Heeft u nog overige opmerkingen op uw vakgebied die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van deze zaak? Zo ja, welke?
Kosten van de deskundige
4.7.
Schers heeft zijn kosten verbonden aan het onderzoek en het opstellen van een rapport desgevraagd begroot op een bedrag van in totaal € 1.815,00 inclusief btw. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de hoogte van voornoemd voorschot, waarna zij bij bericht aan de rechtbank van 7 juli 2026 hebben laten weten dat zij geen bezwaar hebben tegen de hoogte van het voorschot.
4.8.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de kostenverdeling. De partijen zullen ieder de helft van de kosten van het deskundigenbericht dragen.
Overig
4.9.
Voor de medische stukken wordt verwezen naar de aan deze beschikking gehechte bijlagenlijst.
4.10.
Wat betreft de invulling van het onderzoek voert [verzoeker] aan dat de deskundige vrij is om het onderzoek in te richten en uit te voeren naar het hem goeddunkt. Verweersters voeren daartegen geen verweer, maar benadrukken het belang om zowel [verzoeker] als Blom-Pelt te horen.
Slotopmerkingen
4.11.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
4.12.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
4.13.
Verweersters hebben om een proceskostenveroordeling van [verzoeker] verzocht. Omdat het verzoek voorlopig deskundigenonderzoek wordt toegewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding [verzoeker] in de kosten van deze procedure te veroordelen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een onderzoek door de volgende deskundige:
prof. dr. H.J. Schers
Radboudumc, afdeling Huisartsgeneeskunde
Postbus 9101
6500 HB Nijmegen
e-mail: henk.schers@radboudumc.nl
telefoon: 024 361 1111
5.2.
bepaalt dat aan de deskundige de vraagstelling zoals weergegeven onder 4.6 ter beantwoording zal worden voorgelegd met inachtneming van de door partijen gezamenlijk opgestelde inleiding en bijlagenlijst die aan deze beschikking zijn gehecht;
het voorschot
5.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.815,00 inclusief btw;
5.4.
bepaalt dat [verzoeker] en verweersters
ieder de helft van het voorschotdienen over te maken
binnen twee wekenna de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
5.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
het onderzoek
5.6.
bepaalt dat [verzoeker] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen;
5.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats en dat het ter beoordeling van de deskundige is of een lichamelijk onderzoek van [verzoeker] wenselijk is;
5.8.
wijst de deskundige er op dat:
  • de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie) en deze in acht dient te nemen;
  • de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;
  • de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
5.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;
het schriftelijk rapport
5.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk
vier maandenna het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren (met vermelding van het zaaknummer), onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
5.11.
wijst de deskundige er op:
  • dat uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
  • dat in het geval een lichamelijk onderzoek van [verzoeker] heeft plaatsgevonden de deskundige [verzoeker] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder Pro b BW en, indien [verzoeker] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoeker] (eventueel in een gesloten envelop via zijn advocaat) moet toesturen en [verzoeker] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of hij gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [verzoeker] zich van commentaar op het concept moet onthouden);
  • dat, indien [verzoeker] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;
  • dat, indien [verzoeker] geen gebruik maakt van zijn inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan (de advocaten van) partijen moet toezenden;
5.12.
bepaalt dat partijen
binnen vier wekendienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
5.13.
bepaalt dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en zijn reactie daarop moet vermelden;
5.14.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan partijen en aan de deskundige zal zenden;
5.15.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
type: 3416