ECLI:NL:RBDHA:2026:19652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL25.21625
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inreisverbod van één jaar wegens overstay zonder bijzondere omstandigheden

Eiser, een Albanese nationaliteit, reisde op 7 januari 2025 via België de Europese Unie binnen. Op 16 april 2025 legde de minister van Asiel en Migratie een terugkeerbesluit en een inreisverbod van één jaar op wegens een overstay van negen dagen, inclusief twee dagen detentie.

Eiser stelde dat de minister de overstay niet concreet had berekend, maar de rechtbank verwierp dit omdat het besluit duidelijk de overschrijding van negen dagen vermeldde. Daarnaast voerde eiser aan dat het inreisverbod onevenredig was gezien de korte overschrijding en dat een korter verbod passend zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat het beleid op grond van artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 een inreisverbod van maximaal één jaar toestaat bij een overschrijding tussen drie en negentig dagen. Zonder bijzondere individuele omstandigheden, die eiser niet had aangevoerd, is het opleggen van het volledige inreisverbod niet onredelijk. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van één jaar wegens overstay wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.21625
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van één jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2005. Hij is op
7 januari 2025 via België de Europese Unie ingereisd. Ten tijde van het opleggen van het bestreden besluit op 16 april 2025 was hij niet langer rechtmatig in Nederland. Er was sprake van een zogenaamde ‘overstay’ van negen dagen, waarvan eiser twee dagen in detentie verbleef.
2. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de minister de ‘overstay’ niet concreet zou hebben berekend. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag. Op de tweede pagina van het bestreden besluit, onder het kopje ‘Zienswijze’, heeft de minister duidelijk aangegeven dat eiser zijn vrije termijn heeft overschreden met negen dagen, inclusief twee dagen dat hij gearresteerd was. Deze beroepsgrond faalt.
3. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de oplegging van een inreisverbod voor de duur van één jaar onevenredig zou zijn. Eiser heeft zijn vrije termijn met slechts enkele dagen overschreden. Daarbij past een korter inreisverbod volgens eiser.
3.1
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 6.5a van het Vb [1] bedraagt de duur van een inreisverbod ten hoogste één jaar bij een overschrijding van de vrije termijn van meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen. De minister voert het beleid dat het inreisverbod kan worden verkort of achterwege kan worden gelaten als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. [2] De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. De omstandigheid dat de overschrijding van de vrije termijn in dit geval relatief kort is, is geen bijzondere individuele omstandigheid op grond waarvan de minister af had moeten zien van het opleggen van een inreisverbod van één jaar. Eiser heeft verder geen andere bijzondere individuele omstandigheden gesteld. Ook deze beroepsgrond faalt.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van
L. Fernandez Ferreiro, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Zie paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.