ECLI:NL:RBDHA:2026:19665
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, van Gambiaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk bij besluit van 20 januari 2026. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 juli 2026, waarbij alleen de gemachtigde van de minister aanwezig was. Verzoeker en zijn gemachtigde waren afwezig en hadden zich afgemeld. Tijdens de zitting werd het onderzoek gesloten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet meer nodig was omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak had gedaan op het beroep. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep.