ECLI:NL:RBDHA:2026:19680

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701338 / FA RK 26-2547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek uitsluitend gebruik echtelijke woning bij gespannen situatie

De man verzocht de rechtbank om hem het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe te kennen, met het bevel dat de vrouw de woning moet verlaten. Hij stelde dat hij al voor het huwelijk in de woning woonde, de woning op zijn naam staat en hij alle kosten draagt. De vrouw voerde verweer en verzocht zelf om het uitsluitend gebruik van de woning, stellende dat er voldoende ruimte is voor beiden, maar dat de gespannen situatie vooral door de man is veroorzaakt. Zij heeft geen alternatieve woonruimte en acht zichzelf de zwakkere partij.

De rechtbank maakte een belangenafweging en concludeerde dat beide partijen een even groot belang hebben bij het gebruik van de woning en dat geen van beiden een alternatief heeft. De omstandigheden zijn niet zodanig dat gezamenlijk gebruik onhoudbaar is, ondanks de gespannen situatie en de aanwezigheid van camera’s door de man. De rechtbank benadrukte dat partijen zich respectvol moeten gedragen en de privacy van de vrouw moet worden gerespecteerd.

De rechtbank wees het verzoek van de man af en bepaalde dat partijen voorlopig samen gebruik moeten maken van de woning, totdat in de bodemprocedure een definitieve beslissing wordt genomen of totdat een van hen een alternatieve woonruimte vindt. De rechtbank gaf aan dat de man zijn camera’s in de gang moet verwijderen om de privacy te waarborgen.

Uitkomst: Verzoek tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning wordt afgewezen; partijen moeten voorlopig samen gebruik maken van de woning.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2547
Zaaknummer: C/09/701338
Datum beschikking: 16 juni 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 13 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A. Kronenburg te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 7 april 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift.
Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe dat:
- hij gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de man;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarbij heeft zij, onder andere, zelfstandig verzocht te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Tevens heeft zij aanvullende financiële verzoeken gedaan, waaronder voorlopige partneralimentatie.
De man heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen de te late indiening van het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, omdat dit stuk pas de avond voor de zitting is ingediend. Het verweerschrift is, gelet op het bepaalde van artikel 282 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tijdig ingediend en zal daarom, zoals op de zitting besproken, worden toegelaten. Wat de daarin opgenomen zelfstandige verzoeken betreft geldt dat, met uitzondering van het verzoek ten aanzien van het uitsluitend gebruik, de overige verzoeken in deze procedure buiten beschouwing blijven. De overige verzoeken hebben geen betrekking op het onderwerp van het oorspronkelijk verzoek en zijn bovendien, in strijd met de eisen van een goede procesorde, zó kort voor de zitting ingediend, dat de man geen gelegenheid heeft om zich daartegen deugdelijk te verweren. De vrouw zal voor de betreffende gewenste voorlopige voorzieningen een afzonderlijk verzoekschrift kunnen indienen.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik
De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Ter onderbouwing van het verzoek stelt de man dat hij al voor het huwelijk in de woning woonde en dat de woning op zijn naam staat. Hij is degene die, al sinds de start van het huwelijk, alle kosten voor de woning draagt. Daarbij voert de man aan dat de vrouw een netwerk heeft om op terug te vallen, zij zou bij haar dochters of een van haar zussen kunnen gaan wonen.
De vrouw voert verweer. Zij meent dat er in de woning voldoende ruimte is voor beiden. Er zijn wat incidenten geweest, waarna na tussenkomst van de politie is afgesproken dat partijen elk in hun eigen ruimte zouden verblijven en eten, en niet meer in de ruimte van de ander zouden komen. Vervolgens heeft de man de deur van zijn kamer op slot gedaan en camera’s geplaatst die gericht zijn op de gang en de kamer van de vrouw. Er is een erg gespannen situatie ontstaan, wat volgens de vrouw te wijten is aan de man. Het ligt daarom voor de hand dat de man de woning verlaat en de vrouw verzoekt dan ook zelfstandig om het uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te kennen. De vrouw heeft geen alternatieve woonruimte. De vrouw vindt daarom dat zij mentaal, fysiek en financieel als de zwakkere partij aangemerkt dient te worden, met als gevolg dat haar belang bij het uitsluitend gebruik het grootst is.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen verzoeken om met uitsluiting van de ander gebruik te mogen maken van de echtelijke woning. Dat betekent dat de rechtbank een belangenafweging zal moeten maken. Daarbij zal de rechtbank ook meewegen of de situatie nu zodanig is dat het van partijen niet meer gevergd kan worden dat zij nog veel langer gezamenlijk gebruik maken van de woning. Duidelijk is dat beide partijen belang hebben bij het gebruik van de woning en de rechtbank is van oordeel dat hun belang even groot is. Geen van partijen heeft alternatieve woonruimte. Anders dan de man heeft betoogd, is de omstandigheid dat hij al in de woning woonde toen de vrouw bij hem introk en het feit dat hij alle kosten draagt, niet doorslaggevend voor de vraag wie tijdelijk, voor de duur van de procedure, gebruik mag maken van de woning. Met de advocaat van de man is de rechtbank van oordeel dat de huidige situatie verre van ideaal is, maar niet gebleken is dat de situatie onhoudbaar is en het alternatief is dat een van partijen nu op straat komt te staan, zonder zicht op een alternatieve woonruimte. Door de man is in het verzoekschrift wel aangevoerd dat de vrouw een netwerk heeft om op terug te vallen, maar de vrouw heeft dat betwist en de man heeft op de zitting verklaard ook niet te weten waar de vrouw nu zou kunnen verblijven. Ook voor de man is er geen plek waar hij naartoe zou kunnen gaan. Beide partijen moeten hun best gaan doen om zo spoedig mogelijk een andere (tijdelijke) woonruimte te vinden. Pas in de bodemprocedure zal een beslissing genomen worden over wie uiteindelijk het huurrecht toekomt. Tenzij een van partijen eerder (tijdelijk) andere woonruimte vindt, zullen partijen tot die tijd samen gebruik moeten blijven maken van de echtelijke woning, op een zodanige wijze dat ze de ander zo min mogelijk tot last zijn. Op de zitting is gebleken dat de woning groot genoeg is om voorlopig nog door beide partijen te worden gebruikt. De rechtbank begrijpt dat dat niet eenvoudig is en de nodige inspanning van partijen vraagt. Het ligt in de rede dat de man zijn camera in de gang verwijdert, omdat daarmee inbreuk kan worden gemaakt op de privacy van de vrouw. Partijen moeten respectvol met elkaar omgaan en elkaar zoveel mogelijk met rust laten.
De verzoeken ten aanzien van het uitsluitend gebruik wijst de rechtbank op grond van het voorgaande af.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 juni 2026.