ECLI:NL:RBDHA:2026:19684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/694613 / HA RK 25-674
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling staatloosheid verzoeker uit Syrië afgewezen voorlopig

Verzoeker, geboren in Syrië in 1987, vraagt de rechtbank om vaststelling van zijn staatloosheid. Hij stelt dat hij behoort tot de Maktoumeen-Koerden, een groep die volgens hem niet in aanmerking komt voor de Syrische nationaliteit, en dat zijn vader eveneens staatloos is. De Staat voert verweer en betwist dat verzoeker staatloos is, wijzend op documenten die de Syrische nationaliteit van verzoeker en zijn vader ondersteunen.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont en ontvankelijk is in zijn verzoek. Uit de stukken en standpunten blijkt echter onvoldoende bewijs voor staatloosheid. De rechtbank overweegt dat nader onderzoek nodig is naar een wit, handgeschreven document van de vader van verzoeker, dat mogelijk relevant is voor de beoordeling van de nationaliteit.

De Staat wordt opgedragen uiterlijk 1 september 2026 nadere informatie over dit document te verstrekken, waarna verzoeker tot 1 oktober 2026 kan reageren. De zaak wordt daarna schriftelijk afgedaan. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden zolang de einduitspraak ontbreekt.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van staatloosheid wordt voorlopig afgewezen en nader onderzoek gelast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-674
Zaaknummer: C/09/694613
Datum beschikking: 16 juni 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 13 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: nu mr. M. Haphap te ’s-Gravenhage, voorheen mr. L. Leenders te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. S. Deniz.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 10 maart 2026 van de Staat;
- de brief van 13 maart 2026 van verzoeker;
- de brief van 10 april 2026 van de Staat.
Op 19 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
  • S. Deniz, namens de Staat.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum ] 1987 te [geboorteplaats ] , Syrië.
- Verzoeker is op 1 augustus 2002 Nederland ingereisd. Op 11 april 2003 is verzoeker in het bezit gesteld van een asielvergunning, die later met terugwerkende kracht is ingetrokken.
- Verzoeker is in Italië in het bezit gesteld van een asielvergunning geldig van 28 maart 2013 tot en met 4 maart 2018.
- Verzoeker is op 30 augustus 2023 in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning EU/EER, als ouder van een minderjarig Nederlands kind op grond van het Chavez-Vilchez arrest.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Verzoeker voert aan dat hij staatloos is. Hij stelt te behoren tot de Maktoumeen-Koerden, evenals zijn ouders. Maktoumeen-Koerden komen niet in aanmerking voor de Syrische nationaliteit. Aangezien de vader van verzoeker ook staatloos is, is diens staatloosheid doorgegeven aan verzoeker.
De staat voert verweer. Verzoeker beschikt over een gelamineerd identiteitsbewijs dat op een identiteitskaart van de Arabische Republiek Syrië lijkt. Als verzoeker daadwerkelijk tot de Maktoumeen-Koederen behoort, zou hij een handgeschreven, wit document moeten hebben en geen gelamineerd document. De Staat acht het daarom niet aannemelijk dat verzoeker een Maktoumeen-Koerd of staatloos is. De Staat acht het aannemelijk dat verzoeker de Syrische nationaliteit heeft, nu hij ook over andere documenten beschikt die hierop wijzen. Daarnaast staat de vader van verzoeker in de basisregistratie personen (brp) geregistreerd met de Syrische nationaliteit. De Syrische nationaliteit wordt door de vader doorgegeven, zodat aannemelijk is dat verzoeker eveneens over de Syrische nationaliteit beschikt.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en de door partijen ingenomen standpunten, is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog onvoldoende is gebleken dat verzoeker staatloos is. Dit kan anders zijn indien blijkt dat de vader van verzoeker inderdaad een Maktoumeen-Koerd is, zoals verzoeker stelt. Door verzoeker is op de zitting aangevoerd dat zijn ouders inmiddels een procedure zijn gestart om, zo begrijpt de rechtbank, vastgesteld te krijgen dat zij niet de Syrische nationaliteit hebben, omdat zij volgens verzoeker ten onrechte in de brp met de Syrische nationaliteit staan geregistreerd. Ambtshalve navraag van de griffier bij de griffe van deze rechtbank wijst echter uit dat er tot op heden geen verzoek van de ouders van verzoeker aanhangig is bij de rechtbank. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de uitkomst van een dergelijke procedure af te wachten. Wel ziet de rechtbank aanleiding voor nader onderzoek van het volgende. Op de zitting is door verzoeker aangevoerd dat zijn vader bij de inreis in Nederland wel over een wit, handgeschreven briefje beschikte met zijn persoonsgegevens. Door de Staat is erkend dat een dergelijk document is opgenomen in het dossier van de vader van verzoeker, maar dat het als vals is aangemerkt. Gelet hierop zag de Staat geen aanleiding om dit stuk verder te betrekken in deze procedure.
De rechtbank is van oordeel dat het genoemde document van de vader van verzoeker relevant kan zijn voor de in deze procedure te nemen beslissing. De Staat wordt daarom verzocht uiterlijk op 1 september 2026 nadere informatie over dit document te overleggen met name met betrekking tot de conclusies over de echtheid van dit document. Verzoeker krijgt hierna de tijd tot 1 oktober 2026 om te reageren op het standpunt van de Staat. Na ontvangst van beide reacties, zal de rechtbank de zaak schriftelijk afdoen.
Proceskosten
Nu er nog geen eindbeschikking zal worden gegeven, zal het verzoek met betrekking tot de proceskosten eveneens worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de Staat zich uiterlijk op 1 september 2026 dient uit te laten over het witte, handgeschreven document van de vader van verzoeker en dat verzoeker zich vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2026 dient uit te laten hierover, waarna de rechtbank de zaak schriftelijk zal afdoen;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoeker en de proceskostenaan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, A.M. van der Vliet en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.