ECLI:NL:RBDHA:2026:19701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705693 / KG ZA 26-541
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming en gefaseerde opbouw van zorgregeling na psychische klachten vader

Partijen zijn gescheiden ouders van twee minderjarige kinderen met gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank had op 17 april 2026 een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de twee weken bij de vader verblijven. De vader is sinds februari 2026 niet nagekomen aan deze regeling vanwege psychische klachten en volgt een intensief behandeltraject.

De moeder vordert nakoming van de zorgregeling en een dwangsom wegens niet-nakoming. De vader verzoekt om een tijdelijke aanpassing van de zorgregeling in een gefaseerde vorm, passend bij zijn draagkracht en de belangen van de kinderen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet kan voldoen aan de zorgregeling, mede omdat hij nog werkt in de jeugdhulpverlening.

De rechtbank bepaalt een kortdurende opbouwregeling met wekelijks contact, beginnend met twee zondagen en daarna twee weekenden, waarna de oorspronkelijke zorgregeling wordt hervat. De vader wordt veroordeeld tot nakoming van deze regeling en tot betaling van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.

Uitkomst: De vader wordt veroordeeld tot nakoming van een gefaseerde opbouwregeling en de oorspronkelijke zorgregeling met een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/705693 / KG ZA 26-541
Vonnis in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van
[de moeder]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. S. Toughza te Amsterdam,
tegen:
[de vader]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.J. Fakiri te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 9);
- de door de vader overgelegde conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties (1 t/m 5);
- de door de moeder overgelegde aanvullende producties (10 t/m 16);
- de op 2 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de vader zijn verschenen.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] . De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.2
Bij beschikking van 17 april 2026 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – de echtscheiding uitgesproken en de volgende zorgregeling vastgesteld:
  • de kinderen zullen één keer in de twee weken bij de vader zijn van vrijdag uit school tot dinsdag 18.00 uur;
  • de reguliere zorgregeling wordt tijdens de vakanties van één week voortgezet;
  • de kinderen zullen in de vakanties van twee weken, buiten de reguliere zorgregeling om, drie extra aaneengesloten dagen bij de vader zijn, in onderling overleg te bepalen;
  • de kinderen zullen in de zomervakantie gedurende twee aaneengesloten weken bij de vader zijn, waarbij partijen in onderling overleg bepalen welke weken dit zijn en de kinderen in de overige weken volledig bij de moeder zullen zijn;
  • partijen zullen de (islamitische) feestdagen in onderling overleg bij helfte verdelen;
  • de vader haalt en brengt de kinderen.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vader te veroordelen tot nakoming van de in de beschikking van 17 april 2026 vastgestelde zorgregeling;
de vader te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, per dag of dagdeel dat de vader niet voldoet aan het gevorderde onder 1.
3.2
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader weigert uitvoering te geven aan de vastgestelde zorgregeling. Hiervoor noemt hij verschillende redenen. Zo heeft hij de moeder laten weten dat hij de kinderen niet meer kan ophalen omdat hij psychische klachten heeft. Volgens de moeder blijft de vader smoesjes verzinnen om onder de vastgestelde zorgregeling uit te komen. Immers, als hij daadwerkelijk niet in staat is om de kinderen op te vangen kan hij ook niet werken. Tot op heden werkt de vader echter gewoon door. Het gedrag van de vader heeft een grote impact op de kinderen. De kinderen hebben behoefte aan structuur en regelmaat, zeker [de minderjarige 1] omdat hij een zorgkind is. Daarnaast wordt de moeder in een lastige positie geplaatst, doordat zij de gehele zorg voor de kinderen voor haar rekening moet nemen. De moeder lijdt hier niet alleen mentaal, maar ook financieel onder, omdat zij dan niet kan werken. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de zorgregeling door de vader moet worden nagekomen, en dat hieraan een dwangsom moet worden verbonden.
3.3
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De vader vordert – zakelijk weergegeven –:
bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de zorgregeling tijdelijk wordt aangepast, in die zin dat de omgang gedurende een door de rechtbank te bepalen periode plaatsvindt in een gefaseerde vorm, aansluitend bij de draagkracht van de vader en de belangen van de kinderen;
althans een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie geraden acht;
de moeder te veroordelen in de proceskosten van het geding in reconventie.
3.5
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader kampt met ernstige psychische problematiek. In dat kader volgt de vader een intensief behandeltraject, dat bestaat uit verschillende therapieën. Volgens de vader is hij op dit moment dusdanig psychisch overbelast dat het niet verantwoord is om uitvoering te geven aan de vastgestelde zorgregeling. Daarbij geeft de vader aan dat hij niet handelt uit onwil, maar vanuit de noodzaak om rust, stabiliteit en emotionele veiligheid voor zichzelf en daarmee voor de kinderen te waarborgen. Daarom vordert hij dat de zorgregeling tijdelijk wordt aangepast op een wijze die aansluit bij de draagkracht van de vader en de belangen van de kinderen.
3.6
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
4.1
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisendheid
4.2
Deze zaak heeft, anders dan de vader heeft gesteld, naar oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend karakter, omdat op dit moment een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling door de vader niet wordt nageleefd. Hierdoor komt de gehele zorg voor de kinderen voor rekening van de moeder en ontbreekt het contact tussen de vader en de kinderen al sinds februari jl. volledig. Daarmee wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling.
Nakoming voorlopige zorgregeling
4.3
Het uitgangspunt is dat de in de beschikking van 17 april 2026 bepaalde zorgregeling, waarbij de kinderen één keer in de twee weken bij de vader zijn van vrijdag uit school tot dinsdag 18.00 uur, moet worden nagekomen. Het is in het belang van de kinderen dat zij structureel contact hebben met beide ouders. Dit kan echter anders zijn als nadien feiten zijn voorgevallen of omstandigheden zijn gebleken die maken dat het contact met een van de ouders niet meer in het belang van de kinderen is.
4.4
De vader voert in dat kader aan dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid de zorgregeling niet kan nakomen en dat nakoming op dit moment ook niet in het belang van de kinderen is. Daaraan heeft de advocaat van de vader op de zitting toegevoegd dat de vader verwacht dat hij in juli weer emotioneel beschikbaar zal zijn voor de kinderen. De moeder betwist dat de psychische klachten van de vader dusdanig zijn dat hij de zorgregeling niet kan nakomen, temeer omdat hij wel in staat is om volledig te werken. Daarnaast stelt de moeder dat zij (ook) overbelasting ervaart vanwege de volledige zorg voor de kinderen die zij op dit moment draagt.
4.5
De voorzieningenrechter overweegt dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de zorgregeling niet kan nakomen. Hij is immers, ondanks zijn psychische problematiek, nog steeds vol werkzaam in de jeugdhulpverlening. Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat de vader in ieder geval fysiek in staat moet worden geacht om voor de kinderen te zorgen en dat hij ook psychisch niet dusdanig ernstige klachten heeft dat hij zijn werk met kinderen niet kan doen. In het geval de vader van mening is dat hij door zijn klachten juist de zorg voor zijn eigen kinderen psychisch niet (alleen) aan kan, ligt het onder de gegeven omstandigheden op zijn weg om daarbij ondersteuning te vragen van zijn netwerk. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de moeder heeft gesteld dat de vader feitelijk bij zijn ouders verblijft, dan wel tot voor kort heeft verbleven, en dat de omgang ook veelal daar plaatsvond. De vader heeft deze stelling niet betwist. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat het netwerk van de vader nog steeds beschikbaar is om hem, zo nodig, in de zorg voor de kinderen te ondersteunen.
4.6
Dat de vader zijn aandeel in de zorg blijft leveren is tevens van groot belang om de last van de moeder enigszins te verlichten. Vast staat dat [de minderjarige 1] vanwege zijn autisme extra zorg en begeleiding nodig heeft. De zorg en opvoeding van de kinderen valt de moeder mede daardoor heel zwaar. Daarbij wordt aangetekend dat zij in de zorgverdeling al het leeuwendeel van de zorg heeft toebedeeld gekregen. Dat is reden te meer voor correcte nakoming van de zorgregeling, conform de (recente) beschikking van 17 april 2026.
4.7
Vast staat dat de vader de kinderen sinds februari 2026 niet meer heeft gezien. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in het kader van contactherstel een kort durende opbouwregeling te bepalen, waarbij er - totdat de oude zorgregeling weer geheel zal worden hervat - wekelijks contact zal zijn tussen de vader en de kinderen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de kinderen met onmiddellijke ingang eerst twee zondagen van 11:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijven, daarna twee weekenden van zaterdag 11:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarna de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking zal worden hervat.
Dwangsom
4.8
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vader de vastgestelde zorgregeling al langere tijd niet nakomt en dat niet is gebleken dat de vader alsnog bereid is de regeling direct te hervatten. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding de vader een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd tot € 100,00 per dag dat niet wordt nagekomen, met een maximum van € 15.000,00.
Proceskosten
4.9
In de familierechtelijke aard van het geschil wordt aanleiding gevonden om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1
bepaalt, in afwijking van de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 17 april 2026 van deze rechtbank, een kort durende opbouwregeling, inhoudende dat de kinderen met onmiddellijke ingang eerst twee opvolgende zondagen van 11:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijven, daarna twee opvolgende weekenden van zaterdag 11:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarna de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 17 april 2026 van deze rechtbank, weer herleeft;
5.2
veroordeelt de vader tot nakoming van zowel deze opbouwregeling als de daarna weer geldende zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 17 april 2026 van deze rechtbank;
5.3
veroordeelt de vader tot betaling van een dwangsom van € 100,00,- voor iedere dag dat hij geen uitvoering geeft aan deze opbouwregeling en de (aansluitende) zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 17 april 2026 van deze rechtbank, met een maximum van € 15.000,00;
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
F.M.W.