De minister van Asiel en Migratie legde op 17 januari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in de overdracht naar Duitsland, aangezien de Duitse autoriteiten het claimverzoek al op 13 november 2025 hadden geaccepteerd en de overdracht pas op 29 januari 2026 gepland stond.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, gezien de maatregel pas op 17 januari werd opgelegd, het vertrekgesprek op 20 januari plaatsvond en de overdracht op 29 januari was ingepland. De gronden voor bewaring werden niet betwist en konden de maatregel dragen.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel tot het moment van onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.