ECLI:NL:RBDHA:2026:19710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705137 / KG ZA 26-507
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Man mag zorgregeling nakomen vanuit nieuwe woonplaats ondanks bezwaar ex-partner

De man en vrouw zijn gescheiden ouders met gezamenlijk ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen. In het ouderschapsplan is afgesproken dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en een zorgregeling geldt waarbij de kinderen in even en oneven weken bij de vader verblijven volgens een vast schema.

De man heeft een nieuwe woning gekocht in een andere plaats en wil daarheen verhuizen, wat de vrouw niet toestaat vanwege de afstand en de impact op de kinderen, met name de oudste die autisme en Gilles de la Tourette heeft. De vrouw vordert dat de man de zorgregeling vanuit de oude woonplaats nakomt, met dwangsommen bij overtreding.

De man vordert in reconventie dat hij de zorgregeling vanuit zijn nieuwe woonplaats mag uitvoeren totdat een bodemprocedure hierover beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat de man de zorgregeling voorlopig vanuit de nieuwe woonplaats mag uitvoeren, omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de belangen van de kinderen hierdoor ernstig worden geschaad. De rechtbank legt ook afspraken vast over communicatie tussen ouders en het starten van een begeleidingsprogramma. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen en iedere partij draagt de eigen kosten.

Uitkomst: De man mag de zorgregeling voorlopig vanuit zijn nieuwe woonplaats uitvoeren, ondanks het bezwaar van de vrouw.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/705137 / KG ZA 26-507
Vonnis in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [plaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. H. van Pelt-de Jong te Bodegraven,
tegen:
[de man]te [plaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.E. Sondorp te [plaats 3] .
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties.
1.2
De voorzieningenrechter heeft op 9 juni 2026 voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek gevoerd met [de minderjarige 2] . [de minderjarige 3] heeft een brief aan de voorzieningenrechter geschreven.
1.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026, waarbij zijn verschenen: partijen bijgestaan door hun advocaten en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
1.4
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot [datum 2] 2021. Zij zijn de ouders van de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.2
Partijen zijn in het ouderschapsplan van 1 december 2021, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2021, (hierna: het ouderschapsplan), - voor zover hier van belang - overeengekomen dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Met betrekking tot de zorgregeling zijn zij overeengekomen dat de kinderen in even weken bij de man zijn (in aansluiting op het weekend daarvoor) tot maandag naar school en van woensdagavond tot vrijdagavond en voor het overige bij de vrouw en dat de kinderen in oneven weken bij de man zijn van woensdagavond tot en met maandag naar school en voor het overige bij de vrouw. Daarnaast zijn ouders het volgende overeengekomen:

Ouders spreken hierbij af ernaar te zullen streven om beide in de omgeving (binnen een straal van 5 km van de school van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] ) te blijven wonen, zodat de kinderen naar de huidige school kunnen blijven gaan en om het co-ouderschap te bevorderen. Van deze bepaling kan enkel worden afgeweken als ouders hierover overeenstemming hebben bereikt. De kinderen zullen feitelijk bij elkaar blijven.
2.3
[de minderjarige 1] is gediagnosticeerd met autisme en Gilles de la Tourette. Op 29 september 2025 heeft de schoolarts van [de minderjarige 1] een melding gedaan bij Veilig Thuis naar aanleiding van een gesprek met [de minderjarige 1] . Veilig Thuis heeft de ouders geadviseerd om zich aan te melden voor het traject ‘Ouderschap bij Scheiden’ vanuit Impegno. Het traject bij Impegno is nog niet gestart.
2.4
De man heeft al enkele jaren een relatie met een nieuwe partner die ook twee dochters heeft. Zijn partner woont met haar kinderen in [plaats 2] . De man heeft recent zijn woning in [plaats 1] verkocht en een woning gekocht in [plaats 2] . Hij zal per 15 juni 2026 verhuizen naar [plaats 2] . De vrouw heeft geen toestemming gegeven voor deze verhuizing.
2.5
De vrouw heeft eveneens een nieuwe partner met wie zij samenwoont. Zij heeft eind 2025 een baby gekregen met haar nieuwe partner.
2.6
[de minderjarige 1] zit in [plaats 3] op school en [de minderjarige 2] gaat na de grote vakantie eveneens in [plaats 3] naar de middelbare school. [de minderjarige 3] bezoekt de basisschool in [plaats 1] .

3.Het geschil

in conventie
3.1
De vrouw vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven –:
I. te bepalen dat de man de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan moet nakomen vanuit [plaats 1] of een plaats binnen 5 km van [school] in [plaats 1] ;
II. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt;
III. de vader te gebieden om met de kinderen in [plaats 1] of een plaats binnen 5 km van [school] in [plaats 1] te verblijven op de dagen dat hij de zorg voor de kinderen draagt, met uitzondering van vakanties, feestdagen en uitstapjes;
voorwaardelijk (als de voorgaande vorderingen worden afgewezen):
IV. de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan voorlopig te wijzigen en te bepalen dat de kinderen voorlopig bij de man zijn:
- in de oneven weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.30 uur, waarbij de man het vervoer van de kinderen voor zijn rekening zal nemen;
- in onderling overleg tussen ouders nader te bepalen: op studiedagen en andere vrije dagen die op de vrijdag voor of de maandag na het omgangsweekend vallen;
- gedurende een gedeelte van de vakanties en feestdagen.
3.2
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw kan niet instemmen met de wens van de man om met zijn partner [naam 2] samen te gaan wonen in [plaats 2] , gelet op de afstand tussen beide woonplaatsen en de gevolgen die deze afstand voor de kinderen heeft. Daarin speelt een belangrijke rol dat bij de kinderen, maar met name bij [de minderjarige 1] , sprake is van forse kindeigenproblematiek. Verder is de communicatie en verstandhouding tussen ouders niet goed. Hierdoor loopt de vrouw nu al geregeld tegen zaken aan in het overleg met de man. Zo heeft de man de kinderen al verteld over de aanstaande verhuizing voordat hij daarover in overleg met de vrouw is getreden. Bij haar bestaat de angst dat de slechte communicatie versterkt zal worden door het vergroten van de afstand en alle praktische uitdagingen die dat met zich meebrengt. Dit maakt dat de belangen van de kinderen onaanvaardbaar in het gedrang komen indien de zorgregeling in ongewijzigde vorm vanuit [plaats 2] zou worden uitgevoerd, aldus de vrouw.
3.3
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De man vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de man de zorgregeling zoals vastgesteld in het ouderschapsplan mag nakomen vanuit [plaats 2] en te bepalen dat de man de zorgregeling zoals vastgesteld in het ouderschapsplan mag uitoefenen in [plaats 2] totdat de rechter in een bodemprocedure een beslissing heeft gegeven.
3.5
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man stelt zich op het standpunt dat de zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan kan worden nagekomen vanuit [plaats 2] , zonder dat de belangen van de kinderen hierdoor onaanvaardbaar worden geschaad. De kinderen hebben een warme band opgebouwd met de partner van de man en haar kinderen en kijken uit naar de verhuizing. De kinderen zijn gewend in [plaats 2] en hebben hier al drie jaar sociale activiteiten. De man heeft bovendien de nodige voorbereidingen getroffen om de langere reistijd behapbaar te maken voor de kinderen. Ook zal hij zorg dragen voor het halen en brengen van de kinderen voor activiteiten in [plaats 1] . Verder stelt de man dat hij wel degelijk met de vrouw heeft willen overleggen over de voorgenomen verhuizing, maar dat zij onvoldoende bereikbaar was voor de man. Hij staat ervoor open om bij Impegno aan de onderlinge communicatie te werken.
3.6
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
4.1
Omdat de vorderingen van partijen nauw met elkaar samenhangen, worden ze hierna gezamenlijk besproken.
4.2
De voorzieningenrechter overweegt dat het, zoals de Raad ter zitting ook heeft benoemd, niet goed is voor de toch al moeizame verhouding tussen partijen dat de man een woning in [plaats 2] heeft gekocht zonder de voorafgaande toestemming van de vrouw. Zo wordt de vrouw immers geconfronteerd met het voldongen feit van de verhuizing, terwijl in het ouderschapsplan juist is afgesproken dat partijen niet eenzijdig verhuisbesluiten nemen. Overigens is alleszins begrijpelijk dat de man wil gaan samenwonen met zijn nieuwe partner, nu zij al jaren een relatie hebben en hij mede in het belang van de kinderen lang heeft gewacht met samenwonen. Daar komt bij dat hij in 2025 wel heeft geprobeerd met de vrouw te overleggen over een verhuizing, maar dat zij daarvoor toen in verband met haar gevorderde zwangerschap niet open stond. Toen de man vervolgens een geschikte woning zag in [plaats 2] met genoeg slaapkamers voor (in totaal) vijf kinderen heeft hij toegehapt. Dat is in deze moeilijke woningmarkt vanuit zijn perspectief niet onbegrijpelijk. Dat klemt te meer nu de man zich bereid en in staat acht de zorgregeling ongewijzigd na te komen.
4.3
Nu de man zijn oude woning uit moet en half juni feitelijk naar [plaats 2] zal verhuizen, is het de vraag of de man de geldende zorgregeling vervolgens mag uitvoeren vanuit zijn nieuwe woonplaats of niet. De vrouw meent van niet, maar de voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. De vrouw heeft in het kader van dit kortgeding onvoldoende onderbouwd dat de belangen van de kinderen ernstig worden geschaad door de verhuizing en dat de man daarom moet worden verplicht de zorgregeling vanuit [plaats 1] na te komen. Daargelaten dat nakoming vanuit [plaats 1] feitelijk onhaalbaar is, heeft de man naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat hij de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan ook prima vanuit [plaats 2] kan nakomen. Dat neemt niet weg dat juist is dat de kinderen vanuit [plaats 2] wat verder zullen moeten reizen naar school dan vanuit [plaats 1] , maar anders dan de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat de wat grotere afstand geen onoverkomelijk bezwaar vormt voor de uitvoering van de zorgregeling vanuit [plaats 2] . Daarbij weegt mee dat de man en zijn partner zich ten volle willen inzetten om de kinderen te begeleiden bij de overgang naar [plaats 2] en hun zo nodig ook willen halen en brengen naar scholen en activiteiten. Ook hebben [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] te kennen gegeven dat zij zich erg verheugen op de verhuizing naar [plaats 2] en het samenwonen als samengesteld gezin, terwijl gesteld noch gebleken is dat [de minderjarige 1] daar anders over denkt. Het enkele feit dat [de minderjarige 1] als gevolg van haar aandoeningen mogelijk intensiever zal moeten worden begeleid bij de komende veranderingen dan de andere kinderen maakt het oordeel niet anders. Met adequate ondersteuning moet ook zij in staat worden geacht die veranderingen aan te kunnen.
4.4
De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat ook de Raad op de zitting heeft benadrukt dat veranderingen bij het leven horen. Dat geldt des temeer voor kinderen in de puberleeftijd. Het is aan de ouders om die veranderingen gezamenlijk goed te begeleiden. In dat kader hebben partijen ter zitting voorlopig afspraken gemaakt over hun onderlinge communicatie. Zij zijn overeengekomen dat zij elkaar na elke wissel per e-mail een korte overdracht zullen sturen. Daarnaast hebben zij afgesproken dat zij zich direct weer zullen melden bij Impegno met het verzoek om het traject ‘Ouderschap bij Scheiden’ zo snel mogelijk te laten starten. Tot slot hebben zij afgesproken dat de fiets van [de minderjarige 1] met haar meegaat bij de wissel naar de andere ouder. Hetzelfde geldt voor [de minderjarige 2] zodra zij naar de middelbare school gaat. Deze afspraken worden, zoals door partijen verzocht, opgenomen in het dictum.
4.5
Nu ter zitting duidelijk is geworden dat de vrouw zich niet zonder meer definitief wil neerleggen bij nakoming van de zorgregeling vanuit [plaats 2] , zal de voorzieningenrechter bepalen dat de man de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan
voorlopig,in afwachting van nadere overeenstemming tussen partijen, dan wel een andersluidend oordeel van de rechter in een bodemprocedure, mag nakomen vanuit [plaats 2] . Als de vrouw haar verzet handhaaft ligt het op de weg van de man een bodemprocedure te starten om definitieve duidelijkheid te krijgen.
4.6
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij (zowel in conventie als in reconventie) de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1
wijst de vorderingen af;
5.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3
bepaalt dat de man de zorgregeling, zoals vastgesteld in het ouderschapsplan van 1 december 2020 en bekrachtigd in de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 18 januari 2021, voorlopig, in afwachting van nadere overeenstemming tussen partijen dan wel een andersluidend oordeel van de rechter in een bodemprocedure, mag nakomen vanuit [plaats 2] ;
5.4
stelt vast dat partijen het navolgende zijn overeengekomen:
- partijen zullen na elke wissel per e-mail een overdracht aan de andere ouder sturen;
- partijen zullen zich direct melden bij Impegno met het verzoek om het traject ‘Ouderschap bij Scheiden’ zo snel mogelijk te laten starten;
- [de minderjarige 1] zal haar fiets bij zich houden bij de wissel naar de andere ouder. Dit geldt ook voor [de minderjarige 2] zodra zij naar de middelbare school gaat;
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
MS