ECLI:NL:RBDHA:2026:19711

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702961 / FA RK 26-3480
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raadsonderzoek naar gezag, hoofdverblijfplaats en zorgverdeling minderjarige

De vader verzoekt de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind bij hem te plaatsen, vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, waaronder meldingen van mishandeling en een onveilige omgeving. De moeder betwist deze zorgen en stelt dat de thuissituatie liefdevol is en dat de vader een eerdere procedure probeert te heropenen.

De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit, maar de communicatie verloopt moeizaam en het kind is onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming West. De rechtbank constateert dat de situatie complex is en dat er onvoldoende informatie is om een definitieve beslissing te nemen. Daarom wordt een raadsonderzoek gelast om de belangen van het kind te onderzoeken, met speciale aandacht voor de hoofdverblijfplaats, de veiligheid, de samenwerking tussen ouders en de noodzaak van verdere hulpverlening.

De rechtbank houdt de beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgverdeling aan tot uiterlijk 15 december 2026, totdat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is ontvangen en besproken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de behandeling wordt voortgezet na ontvangst van het advies.

Uitkomst: De rechtbank gelast een raadsonderzoek en houdt de beslissing over gezag, hoofdverblijfplaats en zorgverdeling aan tot ontvangst van het rapport.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3480
Zaaknummer: C/09/702961
Datum beschikking: 16 juni 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en proceskosten

Beschikking op het op 8 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Süzen in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoeken, namens de moeder;
  • het bericht van 18 mei 2026, met bijlagen, namens de moeder;
  • het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, namens de vader.
Op 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens Jeugdbescherming West (hierna: JBW).

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
  • [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • De ouders oefen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 mei 2022 [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
  • De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank van 20 november 2025 tot 24 mei 2026.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2024 is bepaald dat [minderjarige] bij de vader is:
eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school, waarbij de vader [minderjarige] uit school ophaalt en haar maandag naar school brengt;
Als er geen school is en de vakantieregeling niet geldt:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot maandag 9.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] overdraagt aan de vader op [treinstation] ;
en bepaald dat:
- de meivakantie, zomervakantie en kerstvakantie bij helfte worden verdeeld, in die zin dat [minderjarige] in de even jaren de eerste helft van de mei- en de kerstvakantie bij de vader zal zijn en de tweede helft van de mei- en de kerstvakantie bij de moeder; in de oneven jaren geldt deze regeling andersom;
in de zomervakantie zal [minderjarige] minimaal veertien dagen aaneengesloten bij de vader verblijven;
- de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie worden jaarlijks steeds alternerend bij helfte verdeeld, in die zin dat [minderjarige] in de even jaren de voorjaarsvakantie bij de moeder en de herfstvakantie bij de vader verblijft; in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de voorjaarsvakantie bij de vader en de herfstvakantie bij de moeder.
- de feestdagen worden bij helfte verdeeld als volgt:
Nieuwjaarsdag even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader
Goede Vrijdag volgens reguliere regeling
Eerste Paasdag even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader
Tweede Paasdag oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader
Koningsdag oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader
Hemelvaartsdag even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader
Eerste Pinksterdag oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader
Tweede Pinksterdag even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader
Kerstavond oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader
Eerste kerstdag oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader
Tweede kerstdag even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader
Oudejaarsavond even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader
Moederdag bij moeder
Vaderdag bij vader
Verjaardag [minderjarige] volgens reguliere regeling
Verjaardag vader volgens reguliere regeling
Verjaardag moeder volgens reguliere regeling

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:
  • de vader niet – ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de verzoeken af te wijzen;
  • te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt beëindigd en dat het eenhoofdig gezag voortaan wordt uitgeoefend door de moeder;
  • bij wijze van voorwaardelijk verzoek, onder de voorwaarde dat uw rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal toewijzen:
- te bepalen dat de minderjarige [minderjarige] bij de vrouw zal verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school, alsmede de helft van de vakantie- en feestdagen volgens het schema zoals vastgesteld door de rechtbank Den Haag bij beschikking van 5 december 2024;
- dan wel andere door uw rechtbank in goede justitie te bepalen beslissingen te nemen;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Gezag en gezagsuitoefening
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, als later de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als er a) een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) als wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub b van het BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft.
Standpunt vader
De vader stelt dat de ouders allang een problematische verstandhouding hebben met, onder andere, diverse juridische procedures met betrekking tot hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij moeder en oma moederszijde en de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De vader heeft in toenemende mate zorgen over [minderjarige] welke hij sinds 2023 meermaals kenbaar heeft gemaakt. [minderjarige] heeft meerdere keren aangegeven dat het onrustig is bij moeder, dat zij door haar wordt geslagen en dat er heftige ruzies plaatsvinden tussen de moeder en oma moederszijde. Er zijn tevens twee meldingen van mishandeling gedaan door de school van [minderjarige] . De vader stelt dat zijn zorgen niet serieus worden genomen. Begin december 2025 is er een nieuwe melding gedaan bij Veilig Thuis door de school van [minderjarige] vanwege een heftige escalatie tussen de moeder en de oma moederszijde waarbij de moeder ook geweld zou hebben gebruikt, [minderjarige] was hier getuige van. [minderjarige] heeft last van fysieke klachten zoals buikklachten en huiduitslag. De moeder ontkent dit alles, werkt al lange tijd niet mee met JBW en neemt de fysieke klachten van [minderjarige] niet serieus. Dit alles maakt dat de vader ernstige zorgen heeft over het welzijn en de veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] zelf heeft aangegeven dat zij niet gelukkig is bij de moeder en bij de vader wil wonen. Ook blijkt nu dat de moeder haar huidige woning binnenkort moet verlaten, doordat de oma moederszijde naar een 55-plus woning zal verhuizen. De moeder heeft nog geen passende alternatieve woning. [minderjarige] vertelt dat ze regelmatig bij de nieuwe vriend van de moeder overnacht en de hygiëne te wensen overlaat. De vader stelt dat hij een veilige opvoedsituatie kan bieden aan [minderjarige] . Hij heeft een geschikte woning met eigen kamer voor [minderjarige] . Hij staat open voor samenwerking met de hulpverlening.
Standpunt moeder
De moeder stelt dat de vader een eerder procedure over de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] probeert over te doen. De moeder benoemt dat de ouders een zeer belaste voorgeschiedenis hebben waarbij er onder andere sprake is geweest van huiselijk geweld. Na de beëindiging van de relatie zijn er (te) veel juridische procedures geweest. De moeder stelt dat het grootste deel van de huidige informatie die door de vader wordt aangedragen bekend was bij de vorige door de rechtbank en het hof gegeven beschikking en dus geen reden vormen om nu wel de hoofverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. De thuissituatie van [minderjarige] is zeer liefdevol, zoals door Family Supporters is geconstateerd. Het is absoluut niet onveilig voor [minderjarige] . De moeder benadrukt dat er mooie positieve stappen zijn gezet, met behulp van de hulpverlening. De moeder betwist dat zij niet met [minderjarige] naar de huisarts gaat, ze stelt dat [minderjarige] last heeft van spanningsbuikpijn rondom de overdrachtsmomenten met de vader en hier geen medicijn voor is. Over het geweldsincident en de Veilig Thuis melding stelt de moeder dat dat de oma moederszijde een valse melding bij Veilig Thuis heeft gedaan. De oma dacht op die manier urgentie te vergroten voor een nieuwe woning voor de moeder. De moeder stelt ook dat ze dat ze wel degelijk meewerkt aan de hulpverlening. De moeder ziet geen reden de hoofverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, [minderjarige] woont al haar hele leven bij de moeder in Den Haag, zij gaat hier naar school en heeft hier haar sociale leven.
De moeder stelt dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen haar ouders. Er is geen communicatie tussen de ouders. Dit gaat via de jeugdbeschermer. De overdracht van [minderjarige] vindt onder begeleiding plaats door de grote spanning. Dit is niet verbeterd ondanks de ondertoezichtstelling en hulpverlening. In het verleden is er geprocedeerd over onder andere de basisschoolinschrijving, huisarts en wijziging hoofdverblijfplaats. Deze rechtbank heeft in haar beslissing van 5 december 2024, overgenomen door het Hof, geconstateerd dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Het is niet in belang van [minderjarige] om het gezamenlijk gezag in stand te laten. Er kunnen geen beslissingen genomen worden omdat de ouders niet kunnen communiceren. Gezagsbeslissingen gaan via de jeugdbeschermer wat voor vertraging zorgt. Ook heeft de moeder veel stress over het in contact treden met de vader over gezagsbeslissingen. [minderjarige] krijgt deze stress indirect mee, wat niet in haar belang is.
Ontvankelijkheid
Om tot een inhoudelijke beoordeling te komen dient de rechtbank eerst te beoordelen of de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de voorgaande beslissing van het gerechtshof van 25 juni 2025. Uit de stukken en hetgeen op zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de vader meent dat de wijziging van omstandigheden is gelegen in de nieuwe Veilig Thuis melding van december 2025, terwijl de moeder stelt dat dit een valse melding is en dus geen gewijzigde omstandigheid oplevert. Het is de rechtbank onduidelijk in hoeverre er daadwerkelijk een geweldsincident heeft plaatsgevonden en of de Veilig Thuis melding op waarheid gebaseerd is. Los daarvan ziet de rechtbank in het naderende einde van de ondertoezichtstelling over [minderjarige] en het gegeven dat ouders na de lange betrokkenheid nog steeds niet in staat zijn om zonder jeugdbescherming dan wel een andere derde op constructieve wijze met elkaar te communiceren, aanleiding om de vader wel te ontvangen in zijn verzoek. Nu de vader wordt ontvangen in zijn verzoek zal de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders besproken dat de rechtbank zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht acht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van de ouders. De rechtbank heeft daarom op de zitting met de ouders en de Raad gesproken over een raadsonderzoek. De ouders hebben op de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een raadsonderzoek ten aanzien van het gezamenlijk gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De rechtbank acht het wenselijk dat de Raad zich met name richt op de volgende vragen:
  • welke hoofverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] ? De rechtbank vraagt de Raad hierbij alle feiten en omstandigheden mee te wegen waaronder de aanstaande verhuizing van de moeder en de mogelijke veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] ;
  • ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
  • is er verdere hulpverlening nodig? Zo ja, welke, ten behoeve van wie en met welk doel?;
  • zijn er overige opmerkingen die voor de rechtbank van belang zijn?
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek ieder verdere definitieve beslissing ten aanzien van de hoofverblijfplaats, de omgang- c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aanhouden voor een periode van zes maanden.

Beslissing

De rechtbank:
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op 1 december 2026 dient de Raad voor de Kinderbescherming zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofverblijfplaats, de omgang- c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aan
tot 15 december 2026 forma.