ECLI:NL:RBDHA:2026:19714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/703906 / JE RK 26-690
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 16 juni 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en de machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) van een minderjarige geboren in 2013. De verlenging geldt voor een periode van zes maanden, tot 22 november 2026, en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek tot verlenging ingediend met het oog op de complexe problematiek van de minderjarige, die moeite heeft met emotieregulatie en daardoor verbaal en fysiek agressief gedrag vertoont. Ondanks betrokkenheid van ouders en partner lukt het onvoldoende om de noodzakelijke structuur en nabijheid te bieden. De minderjarige verblijft momenteel bij Optacare met 24-uurs één-op-één begeleiding, waar hij zich beperkt voelt maar waar hij wel de benodigde veiligheid ervaart.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, is vastgesteld dat de vader correct is opgeroepen maar niet is verschenen. De moeder en haar partner steunen het verblijf bij Optacare totdat een passende woonplek is gevonden. De mentor bevestigt positieve, zij het kleine, ontwikkelingen. Er is een veiligheidsplan opgesteld, een dagbesteding gevonden en een aanmelding gedaan bij het Regionaal Expert Team voor woonperspectief. De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding en benadrukt het belang van structuur, nabijheid en continuering van de begeleiding.

De beslissing is van rechtswege aangetekend in het gezagsregister en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag door belanghebbenden met een advocaat.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 22 november 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703906 / JE RK 26-690
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de partner],
hierna te noemen: de partner van de moeder,
beiden wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 20 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling, met bijlagen, van 12 juni 2026.
1.3.
Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • de partner van de moeder;
  • de mentor van [de minderjarige] vanuit Optacare, [naam 2] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 20 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. Van dit verzoek resteert nog vijf maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek en zij heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Sinds 1 juni 2026 is er een vaste jeugdbeschermer bij [de minderjarige] betrokken en sindsdien zijn er meerdere stappen gezet. Er is een veiligheidsplan opgesteld met de betrokken en er is een geschikte dagbesteding bij [zorginstelling] gevonden voor [de minderjarige] . Zodra de financiering hiervoor is geregeld, kan [de minderjarige] hiermee starten. Ook is er een aanmelding gedaan bij het RET (Regionaal Expert Team) om te onderzoeken wat het woonperspectief is voor [de minderjarige] . Op dit moment heeft het RET hier nog geen terugkoppeling op gegeven. Daarnaast dient de komende periode nog diagnostiek uitgevoerd te worden, zodat er ook meer zicht komt op de emotieregulatie van [de minderjarige] . Op dit moment verblijft [de minderjarige] nog steeds bij Optacare, waar aan [de minderjarige] 24 uur per dag één-op-één begeleiding wordt geboden. Gebleken is dat [de minderjarige] zich hierdoor beperkt voelt, waardoor in de komende periode onderzocht zal worden hoe het verblijf voor [de minderjarige] draaglijker kan worden gemaakt. [de minderjarige] vindt het echter lastig om afspraken te maken en hij neemt hierin snel zelf de regie. Recent heeft zich bijvoorbeeld een incident voorgedaan, waarbij de spanning bij [de minderjarige] dusdanig hoog opliep dat hij gefixeerd moest worden. Momenteel gaat [de minderjarige] alleen naar buiten wanneer de spanning hoog bij hem oploopt en op die momenten loopt hij weg. Samen met de gedragswetenschapper zal daarom worden onderzocht hoe [de minderjarige] ook op andere momenten naar buiten kan gaan, zodat dit niet uitsluitend plaatsvindt bij hoge spanning. [de minderjarige] verblijft nog maar kort bij Optacare en hierdoor heeft hij nog tijd nodig om te wennen en zijn plek te vinden. Aanvankelijk kon [de minderjarige] slechts voor een duur van een maand bij Optacare verblijven, maar inmiddels kan deze plaatsing gedurende de zoektocht naar een passende woonplek voor [de minderjarige] voortgezet worden.

4.De standpunten

4.1.
Door de moeder en haar partner is naar voren gebracht dat zij achter het verblijf van [de minderjarige] bij Optacare staan totdat er een passende, vaste woonplek voor hem is gevonden. Hoewel [de minderjarige] het verblijf bij Optacare lastig vindt en hij hoopt dat hij snel ergens anders geplaatst kan worden, wordt bij Optacare wel de begeleiding geboden die [de minderjarige] nodig heeft en hierdoor doet hij het beter dan vooraf werd gedacht. Op dit moment stelt [de minderjarige] zich nog niet open voor de begeleiders, maar de moeder en haar partner zien mogelijkheden voor verdere groei hierin. Wanneer voor [de minderjarige] duidelijk is dat hij langer bij Optacare kan verblijven, bestaat namelijk de mogelijkheid dat hij meer ruimte ervaart om zich open te stellen en verdere stappen in zijn ontwikkeling te zetten. De moeder en haar partner proberen twee keer per week bij [de minderjarige] langs te komen en tijdens deze momenten samen leuke activiteiten buiten de deur te ondernemen. Dit doet [de minderjarige] zichtbaar goed.
4.2.
De mentor van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat [de minderjarige] bij Optacare drie vaste begeleiders heeft en dat hij de afgelopen maand kleine, maar positieve stappen heeft gezet. Sinds kort slaapt [de minderjarige] bijvoorbeeld niet meer in een kast, maar voelt hij zich veilig genoeg om zijn bed te slapen. Het is belangrijk dat [de minderjarige] zo snel mogelijk kan starten met een dagbesteding, omdat dit belangrijk is voor zijn ontwikkeling. De komende periode kan het verblijf van [de minderjarige] bij Optacare voortgezet worden, waar aan hem de veiligheid geboden kan worden die hij nodig heeft. Op dit moment wordt gewerkt aan het opbouwen van een vertrouwensband met [de minderjarige] , zodat de spanningen afnemen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Onweersproken is dat er nog onverminderd zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Bij [de minderjarige] is sprake van complexe kindeigen problematiek. Hij heeft grote moeite om zijn emoties op adequate wijze te uiten en reguleren, waardoor hij bij spanningen verbaal en fysiek agressief gedrag vertoont. Hoewel de kinderrechter ziet dat de moeder, haar partner en de vader betrokken zijn, lukt het hen onvoldoende om [de minderjarige] de structuur, nabijheid en duidelijkheid te bieden die hij vanwege zijn problematiek nodig heeft. Het is daarom belangrijk dat een jeugdbeschermer bij [de minderjarige] betrokken blijft en zicht houdt op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de noodzakelijk geachte hulpverlening inzet. Positief is dat inmiddels een vaste jeugdbeschermer betrokken is en dat er in de afgelopen periode – in goede samenwerking met de moeder, haar partner en de vader – actief stappen zijn gezet. Zo is er een aanmelding gedaan bij het RET om het woonperspectief van [de minderjarige] te onderzoeken en is er een passende vorm van dagbesteding voor [de minderjarige] gevonden. Ook zal in de komende periode aandacht uitgaan naar diagnostiek, om het gedrag van [de minderjarige] te kunnen duiden. Vanwege de problematiek van [de minderjarige] is het op dit moment niet mogelijk om thuis te wonen bij een van de ouders. Op de zitting is gebleken dat de plaatsing van [de minderjarige] bij Optacare voortgezet kan worden totdat er een passende woonplek voor [de minderjarige] is gevonden. Ondanks dat [de minderjarige] heeft aangegeven dat het verblijf bij Optacare voor hem voelt als een gevangenis, zijn alle betrokken het erover eens dat deze plaatsing in het belang van [de minderjarige] is. Daarbij vindt de kinderrechter het belangrijk dat [de minderjarige] zo snel mogelijk kan starten met de dagbesteding bij [zorginstelling] en dat de bezoeken van de moeder en haar partner worden voortgezet, zodat [de minderjarige] uit het isolement wordt gehaald waarin hij zich op dit moment lijkt te bevinden. Tegen deze achtergrond benadrukt de kinderrechter dat ook de vader hierin een actieve rol heeft en dat het belangrijk is dat er met de vader afspraken worden gemaakt over de bezoeken, zodat onduidelijkheid voor [de minderjarige] wordt voorkomen. De kinderrechter benadrukt daarbij dat het voor [de minderjarige] van belang is dat de vader deze afspraken vervolgens ook nakomt. Voor [de minderjarige] is structuur en nabijheid immers erg belangrijk. Bij Optacare wordt aan [de minderjarige] de (één-op-één) begeleiding geboden die hij daarbij nodig heeft. Naar het oordeel van de kinderrechter dient het verblijf van Optacare dan ook te worden gecontinueerd. De kinderrechter zal daarom het verzoek – waartegen geen verweer is gevoerd – toewijzen voor de resterende duur.
5.3.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 22 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.