ECLI:NL:RBDHA:2026:19716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706046 / JE RK 26-928
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondertoezichtstelling minderjarige wegens afwezigheid ernstige ontwikkelingsbedreiging

De gecertificeerde instelling verzocht op 29 mei 2026 de ondertoezichtstelling van de minderjarige op te heffen. De zitting vond plaats op 16 juni 2026, waarbij de ouders zich hadden afgemeld. De minderjarige woont bij haar ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De ondertoezichtstelling was eerder opgelegd tot 19 september 2026.

De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek met het ontbreken van zorgelijke signalen over de verzorging en opvoeding sinds de start van de maatregel. De ouders werkten volledig mee aan de hulpverlening, die op 3 februari 2026 werd afgesloten zonder aanwijzingen voor kindermishandeling of hulpvraag. Er loopt nog een strafrechtelijk onderzoek tegen de vader, maar de Officier van Justitie ziet geen verhoogd risico op herhaling.

De kinderrechter constateert dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn. De ouders handelen adequaat en liefdevol, het netwerk is betrokken en alert, en het kind ontwikkelt zich passend ondanks een erbse parese als gevolg van de bevalling. De ondertoezichtstelling wordt daarom per 16 juni 2026 opgeheven en de beslissing wordt geregistreerd in het gezagsregister.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening door belanghebbenden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt per 16 juni 2026 opgeheven wegens het ontbreken van een actuele en ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706046 / JE RK 26-928
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders
beiden wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026;
- De berichten van de vader en de moeder van 8 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder hebben zich bij bericht van 8 juni 2026 afgemeld voor de zitting.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij haar vader en moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 december 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 19 september 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Sinds de start van de ondertoezichtstelling zijn er geen zorgelijke signalen over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] gezien door betrokken professionals en het netwerk. De ouders hebben het gehele traject meegewerkt aan de hulpverlening en laten zien dat zij hun ouderschap op een adequate en liefdevolle wijze vormgeven. Geobserveerd wordt dat [de minderjarige] zich passend ontwikkelt, goed reageert op haar ouders en signalen van veilige hechting laat zien. De hulpverlening is op 3 februari 2026 afgesloten met de vaststelling dat er geen signalen zijn van kindermishandeling, de ouders geen hulpvraag hebben, en er geen concrete doelen voor de hulpverlening geformuleerd kunnen worden. Er loopt nog een strafrechtelijk onderzoek waarin de vader formeel nog verdachte is. Er zijn geen actuele aanwijzingen voor recidivegevaar of onveiligheid. De Officier van Justitie heeft expliciet aangegeven dat er geen sprake is van een verhoogd risico op herhaling. Op basis van de huidige situatie ontbreekt een actuele en ernstige ontwikkelingsbedreiging. Hulpverlening in het vrijwillig kader wordt niet noodzakelijk geacht. De ouders beschikken over een steunend netwerk, waaronder beide grootmoeders, en weten waar zij terecht kunnen indien zich in de toekomst vragen of zorgen voordoen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. [1] De gecertificeerde instelling en de eerder betrokkene professionals maken zich geen zorgen over de opvoedsituatie en de ontwikkeling van [de minderjarige] . De ouders hebben volledig meegewerkt aan hulpverlening en gezien wordt dat de ouders adequaat en liefdevol handelen. De ouders hebben geen hulpvraag en de gecertificeerde instelling is van mening dat zij geen hulpverlening nodig hebben. De hulpverlening is daarom op 3 februari 2026 afgesloten. Er lijkt onduidelijkheid te bestaan over het oorzaak van het letsel bij [de minderjarige] , waarbij in ieder geval duidelijk is dat zij erbse parese heeft als gevolg van de bevalling. De Officier van Justitie heeft aangegeven dat er geen actuele aanwijzingen zijn voor recidivegevaar of onveiligheid. Het netwerk van de ouders blijft betrokken bij het gezin en alert op eventuele signalen. Ook hebben de ouders laten weten dat er vanuit het ziekenhuis geen zorgen zijn over [de minderjarige] en dat zij wel jaarlijks gecontroleerd zal worden voor haar erbse parese. Gelet op het bovenstaande, constateert dat [de minderjarige] niet langer ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.
4.2.
De kinderrechter heft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] daarom op met ingang van 16 juni 2026.
4.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.
De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
heft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op met ingang van 16 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. J.M.J. Keltjens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 25 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.