ECLI:NL:RBDHA:2026:1972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696622 / KG ZA 25-1276
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119a BWArt. 6:248 BWArt. 7:400 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen lening en consultancyovereenkomst tussen bedrijven

In deze kortgedingprocedure vordert [bedrijf] B.V. betaling van een lening van €50.000,- aan Amarna Holding B.V. en onbetaalde consultancyvergoedingen van Amarna Therapeutics B.V. De leningsovereenkomst is onderwerp van discussie vanwege twee verschillende versies met afwijkende bepalingen over opeisbaarheid, mede in verband met een innovatiekrediet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) dat nog niet is afgelost.

[bedrijf] B.V. stelt dat de lening per 30 juni 2024 opeisbaar is, terwijl Amarna c.s. betogen dat de lening pas opeisbaar is na volledige aflossing van het RVO-krediet. Ook over de consultancyovereenkomst bestaat een geschil, waarbij Amarna Therapeutics B.V. stelt dat onjuiste informatie in een octrooi aanleiding geeft tot niet-betaling van facturen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de lening opeisbaar is, mede gelet op de achterstellingsclausule en het niet afgeloste RVO-krediet. Ook is niet uitgesloten dat Amarna Therapeutics B.V. een tegenvordering heeft wegens vermeende misleiding in het octrooi. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang en het financiële vermogen van [bedrijf] B.V. worden de vorderingen afgewezen en wordt [bedrijf] B.V. veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van [bedrijf] B.V. worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696622 / KG ZA 25-1276
Vonnis in kort geding van 28 januari 2026
in de zaak van
[bedrijf] B.V.te [vestigingsplaats ] ,
eiseres,
advocaat mr. P.P.J. van der Rijt te Houten,
tegen:

1.Amarna Holding B.V. te Leiden,

2. Amarna Therapeutics B.V.te Leiden,
gedaagden,
advocaten mrs. M.H.L. Hemmer en B. van Dijk.
Eiseres wordt hierna aangeduid als [bedrijf] B.V. Gedaagden worden hierna afzonderlijk aangeduid als Amarna Holding B.V. en Amarna Therapeutics B.V. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als Amarna c.s.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 januari 2026 met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord met producties A1 tot en met A17;
- de namens [bedrijf] B.V. overgelegde aanvullende productie 14;
- de op 14 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van [bedrijf] B.V. [naam 1] is medeoprichter van Amarna c.s. en is ook statutair bestuurder van Amarna c.s. geweest. [naam 1] is tevens wetenschapper en is in die rol betrokken geweest bij diverse octrooiaanvragen van Amarna c.s.
2.2.
De kernactiviteit van Amarna c.s. betreft de ontwikkeling van een virale vectortechnologie als platform voor gentherapie mede gericht op Multiple Sclerose en diabetes type 1.
2.3.
Amarna c.s. waren aanvankelijk structureel gefinancierd met eigen middelen, leningen en informele kapitaalverschaffing door onder meer [bedrijf] B.V. Per 27 juni 2019 is Flerie Invest AB toegetreden tot Amarna c.s. als grootaandeelhouder.
2.4.
Bij besluit van 3 mei 2019 heeft Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) aan Amarna Therapeutics B.V. een innovatiekrediet toegekend, met een maximum van € 3.796.920,--. Aan het innovatiekrediet zijn diverse verplichtingen verbonden, waaronder:
“5. Onttrekking middelen
Zolang het krediet nog niet volledig is afgelost, mogen door de aandeelhouders geen middelen aan Amarna Therapeutics B.V., Amarna Therapeutics S.L. en/of Amarna Holding B.V. worden onttrokken in de vorm van rentebetalingen en aflossingen op (achtergestelde) leningen van aandeelhouders of dividenduitkeringen of anderszins.”
Het innovatiekrediet moest op 31 december 2024 worden terugbetaald. Op verzoek van Amarna Therapeutics B.V. heeft de RVO tot eind 2025 uitstel van betaling verleend. Ten tijde van de mondelinge behandeling was het krediet nog niet terugbetaald.
2.5.
[bedrijf] B.V. heeft op enig moment € 50.000,-- aan Amarna Holding B.V. geleend. Op 30 juli 2020 is namens [bedrijf] B.V. en Amarna Holding B.V. een leningsovereenkomst ondertekend ter zake van deze lening, waarin onder meer is opgenomen dat de leningsovereenkomst een looptijd heeft tot 30 juni 2024. De overeenkomst is namens [bedrijf] B.V. getekend door [naam 1] en namens Amarna Holding B.V. zowel door [naam 1] namens [bedrijf] B.V. als door de heer [naam 2] namens BVL Holding B.V. Over terugbetaling van de lening is in artikel 4 van Pro voornoemde overeenkomst het volgende bepaald:
“1. The Debtor is not required to repay the loan during the duration of this agreement. (…)
2. The loan will be repaid by Debtor once both the duration of this agreement has ended and the contractual obligations towards RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) have been fulfilled by Debtor.”
2.6.
Op 27 augustus 2020 is ter zake van deze lening van € 50.000,-- van [bedrijf] B.V. aan Amarna Holding B.V. een tweede overeenkomst ondertekend door deze partijen. In deze overeenkomst ontbreekt artikel 4 lid 2 van Pro de overeenkomst van 30 juli 2020, voor het overige is de overeenkomst gelijk aan die van 30 juli 2020. Deze overeenkomst is namens [bedrijf] B.V. getekend door [naam 1] en namens Amarna Holding B.V. door zowel [naam 1] namens [bedrijf] B.V. als door de heer [naam 3] .
2.7.
Amarna Holding B.V. heeft de lening niet terugbetaald.
2.8.
Op 1 juli 2024 zijn [bedrijf] B.V. en Amarna Therapeutics B.V. een consultancyovereenkomst aangegaan op grond waarvan [bedrijf] B.V. via [naam 1] werkzaamheden zou gaan verrichten. In de consultancyovereenkomst staat onder meer:
Section 7. TERMINATION
TheConsultantand/or theCompanymay terminate thisAgreement, at any time and
without cause, by providing two months’ prior written notice thereof. In the event that the
Companyterminates thisAgreementwithout cause theCompanyshall have no further
obligation or liability whatsoever toConsultantthereunder except that theCompanyshall
payConsultantfor any and all Services completed by theConsultantprior to the
termination effective date and performed to theCompany’sreasonable satisfaction and
approval and in accordance with the terms and conditions of thisAgreement.”
2.9.
[bedrijf] B.V. heeft vervolgens werkzaamheden verricht en stuurde daar maandelijks ongespecificeerde facturen voor, welke door Amarna Therapeutics B.V. werden betaald.
2.10.
Op 19 augustus 2025 heeft Amarna Therapeutics B.V. [bedrijf] B.V. verzocht om de werkzaamheden in het kader van de consultancyovereenkomst tijdelijk neer te leggen, omdat volgens haar informatie zoals opgenomen in octrooi-aanvraag EP3071224 niet juist zou zijn. Bij brief van 19 september 2025 heeft Amarna Therapeutics B.V. de opdracht onder de lopende “work order” en de consultancyovereenkomst met [bedrijf] B.V. per direct beëindigd. Ook heeft zij [bedrijf] B.V. en [naam 1] aansprakelijk gesteld voor alle geleden of nog te lijden schade als gevolg van de handelswijze in verband met de indiening van het verleende octrooi EP3071224.
2.11.
Bij brief van 10 oktober 2025 is namens [bedrijf] B.V. gereageerd op de beëindiging van de consultancyovereenkomst, waarbij Amarna c.s. zijn verzocht c.q. gesommeerd om de op grond van de consultancyovereenkomst verschuldigde compensaties over de maanden augustus en september 2025 te betalen. Ook is namens [bedrijf] B.V. aanspraak gemaakt op (terug)betaling van de verstrekte lening van € 50.000,--, vermeerderd met de overeengekomen rente. In de maanden daarna hebben partijen nog gecorrespondeerd over de beëindiging van de consultancyovereenkomst, betaling van de compensaties en terugbetaling van de lening.
2.12.
Eind 2025 heeft Amarna Therapeutics B.V. bij de RVO een rapportage ingediend met daarin onder meer het verzoek om het grootste deel van het verstrekte innovatiekrediet om te zetten in een subsidie, waarbij voor Amarna Therapeutics B.V. wel een restschuld overblijft.

3.Het geschil

3.1.
[bedrijf] B.V. vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
ten aanzien van de leningsovereenkomst
I. Amarna Holding B.V. te veroordelen tot betaling aan [bedrijf] B.V. van een bedrag van € 65.214,20 uit hoofde van de opeisbare leningsovereenkomst van 27 augustus 2020;
II. Amarna Holding B.V. te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.468,21;
III. Amarna Holding B.V. te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 65.214,20 vanaf 1 juli 2024, althans vanaf 21 november 2025, althans vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, en over de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.468,21, vanaf 4 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. Amarna Holding B.V. te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
V. te bepalen dat Amarna Holding B.V. gehouden is de nakosten te voldoen, in zij niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de veroordelingen voldoet;
ten aanzien van de consultancyovereenkomst
VI. Amarna Therapeutics B.V. te veroordelen om aan [bedrijf] B.V. te betalen een bedrag van € 31.460,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake van onbetaald gelaten consultancyvergoedingen over de reeds verstreken maanden tot en met de datum van opzegging van de overeenkomst van opdracht;
VII. Amarna Therapeutics B.V. te veroordelen om aan [bedrijf] B.V. te betalen een bedrag van € 31.460,00, zijnde twee maanden consultancyvergoeding van € 15.730,00 per maand, ter zake van de opzegtermijn die Amarna Therapeutics B.V. bij beëindiging van de overeenkomst van opdracht in acht had behoren te nemen;
VIII. Amarna Therapeutics B.V. te veroordelen tot betaling aan [bedrijf] B.V. van € 1.427,14 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf veertien dagen na dagtekening van de sommatiebrief van 25 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
IX. Amarna Therapeutics B.V. te veroordelen om over (zo begrijpt de voorzieningenrechter) de onder VI. en VII. genoemde bedragen de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW te betalen, vanaf de respectieve vervaldata van de maandelijkse termijnen, althans vanaf 19 september 2025, tot aan de dag van volledige betaling;
X. Amarna Therapeutics B.V. te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
XI. te bepalen dat Amarna Therapeutics B.V. gehouden is de nakosten te voldoen, in zij niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de veroordelingen voldoet.
3.2.
Daartoe voert [bedrijf] B.V. – samengevat – het volgende aan. Uit de leningsovereenkomst van 27 augustus 2020 volgt volgens [bedrijf] B.V. ondubbelzinnig dat Amarna Holding B.V. het volledige geleende bedrag aan [bedrijf] B.V. verschuldigd is en dat dit bedrag opeisbaar is geworden per 30 juni 2024. Nu Amarna Holding B.V. in gebreke blijft met betaling van de opeisbare hoofdsom, handelt zij in strijd met haar wettelijke en contractuele betalingsverplichting. De uiterste datum van terugbetaling, zijnde 30 juni 2024, heeft te gelden als fatale termijn, waardoor gelet op artikel 6:83 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt. Vanaf die datum is Amarna Holding B.V. eveneens wettelijke handelsrente, zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, over het opeisbare bedrag verschuldigd. De buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
Ten aanzien van de consultancyovereenkomst voert [bedrijf] B.V. aan dat deze overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW Pro. Amarna Therapeutics B.V. heeft de overeenkomst opgezegd zonder de contractuele opzegtermijn van twee maanden in acht te nemen en daarmee is zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en heeft zij ook in strijd gehandeld met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:248 BW Pro. Als gevolg van de tekortkoming is Amarna Therapeutics B.V. gehouden tot betaling van reeds vervallen en onbetaald gebleven consultancyvergoedingen tot aan de datum van de opzegging en de consultancyvergoedingen over de volledige contractuele opzegtermijn van twee maanden. Beide bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente, zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de respectieve vervaldata. De buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
3.4.
Amarna c.s. voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uitgangspunt is dat de rechter in kort geding zich richt naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of het in hoge mate te verwachten is dat een vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen en of het daarbij passend is om bij wijze van voorlopige voorziening op de bodembeslissing vooruit te lopen. Daarbij geldt dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van [bedrijf] B.V. op Amarna c.s. voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.
De leningsovereenkomst
4.2.
De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of de lening moet worden terugbetaald. Vaststaat dat [bedrijf] B.V. een bedrag van € 50.000,-- aan Amarna Holding B.V. ter beschikking heeft gesteld. Tussen partijen is in geschil welke schriftelijke leningsovereenkomst de daarover gemaakte afspraken juist weergeeft, de eerste overeenkomst van 30 juli 2020 of de tweede overeenkomst van 27 augustus 2020. Dit is van belang omdat in de twee overeenkomsten verschillende bepalingen zijn opgenomen over het moment dat de lening opeisbaar is. In de eerste overeenkomst is in artikel 4 lid 2 bepaald Pro dat de lening pas opeisbaar is vanaf het moment dat de looptijd is verstreken én “
the contractual obligations towards RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) have been fulfilled by Debtor.”en uit de tweede overeenkomst vloeit voort dat de lening na ommekomst van de looptijd direct opeisbaar is, dus na 30 juni 2024.
4.3.
Partijen lijken er allebei vanuit te gaan dat met de bepaling in artikel 4 lid Pro 2 (opgenomen in de eerste leningsovereenkomst) is bedoeld dat de lening pas aan [bedrijf] B.V. behoeft te worden terugbetaald, nadat het krediet aan RVO volledig is afgelost. Van deze lezing wordt in dit geding daarom ook uitgegaan. Tussen partijen staat vast dat het krediet aan RVO niet is afgelost.
4.4.
[bedrijf] B.V. stelt dat moet worden uitgegaan van de tweede overeenkomst. Hoewel er reeds een getekende leningsovereenkomst van 30 juli 2020 lag, was er volgens [bedrijf] B.V. toch reden voor een tweede overeenkomst ter vervanging van de eerste overeenkomst. Deze reden was dat de eerste overeenkomst door een niet vertegenwoordigingsbevoegd iemand aan de zijde van Amarna Holding B.V. zou zijn ondertekend. Uit het handelsregister blijkt volgens [bedrijf] B.V. dat de persoon die op 30 juli 2020 voor Armarna Holding B.V. heeft getekend, op dat moment niet langer tekeningsbevoegd was, zodat die overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Er moest daarom een nieuwe overeenkomst komen en die is volgens [bedrijf] B.V. opgesteld door het door Amarna Holding B.V. ingeschakelde advocatenkantoor Allen & Overy en daarna getekend door de toen wel statutair bevoegde bestuurder, de heer [naam 3] . Deze tweede overeenkomst vervangt volgens [bedrijf] B.V. de eerste. Wanneer partijen een nieuwe, vervangende overeenkomst sluiten waarin bewust bepalingen zijn weggelaten die in een oudere versie nog wel voorkwamen, geldt volgens [bedrijf] B.V. naar vaste maatstaven dat uitsluitend de definitieve tekst de rechtsverhouding beheerst. Gelet hierop is volgens [bedrijf] B.V. de geldlening opeisbaar per 30 juni 2024.
4.5.
Amarna Holding B.V. stelt dat de eerste leningsovereenkomst wel degelijk geldig is omdat deze is ondertekend door een bevoegde bestuurder, voordat deze defungeerde. Zij stelt tevens dat interim CEO [naam 3] rond 27 augustus 2020 een versie van de leningsovereenkomst door [naam 1] ter tekening onder zijn neus geduwd kreeg waarin de bepaling omtrent terugbetaling aan de RVO (de achterstellingsclausule) niet was opgenomen, zonder dat [naam 1] daarbij vermeldde 1) dat er op 30 juli 2020 al een leningsovereenkomst was getekend, 2) dat er in de kredietvoorwaarden van de RVO stond dat aan aandeelhouders geen betalingen mochten worden gedaan zolang het krediet van RVO nog niet was terugbetaald en 3) dat de eerste leningsovereenkomst daarover wel een clausule inhield. In de kern komt het verweer van Amarna Holding B.V. erop neer dat de achterstellingsclausule tussen partijen is overeengekomen, en dat het enkele feit dat deze niet staat opgenomen in de versie van 27 augustus 2020 niet zegt dat de achterstellingsclausule niet langer gold, maar dat dit enkel het gevolg is van de geschetste eenmansactie van [naam 1] .
4.6.
Zonder nadere bewijslevering, waarvoor in het bestek van dit kort geding geen plaats is, kan niet worden vastgesteld of partijen bewust hebben afgezien van de aanvankelijk wel opgenomen achterstellingsclausule in de leningsovereenkomst. [bedrijf] B.V. stelt dit wel, maar is er niet in geslaagd om dit voldoende aannemelijk te maken. Integendeel zij licht deze gestelde “bewuste keuze” inhoudelijk totaal niet toe. Een deugdelijke toelichting had naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op haar weg gelegen. Amarna c.s. hebben er immers terecht op gewezen dat in de voorwaarden van het RVO krediet is bepaald dat het krediet kan worden ingetrokken bij niet naleven van verplichtingen. Een van die verplichtingen houdt in dat door aandeelhouders geen middelen worden onttrokken aan Amarna c.s. in de vorm van aflossingen op leningen, zolang het krediet nog niet volledig is afgelost. Gelet op de omvang van het krediet, ligt het op het eerste gezicht niet in de rede dat Amarna Holding B.V. het risico zou hebben genomen om het RVO krediet te verspelen door in strijd met genoemde verplichting jegens RVO, met [bedrijf] B.V. af te spreken dat de lening na einde looptijd opeisbaar was. Dit betekent dat de hoge lat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding voor wat betreft de lening niet wordt gehaald.
De consultancyovereenkomst
4.7.
Vervolgens komt aan de orde de vraag of er aanleiding bestaat Amarna Therapeutics B.V. te veroordelen tot betaling van een bedrag aan [bedrijf] B.V. op grond van de consultancyovereenkomst. Amarna Therapeutics B.V. voert als verweer aan dat zij niet is gehouden de facturen van [bedrijf] B.V. te betalen, omdat – kortgezegd – de inhoud van een volgens haar essentieel octrooi misleidende informatie bevat. De inhoud van het octrooi stemt volgens Amarna Therapeutics B.V. niet overeen met de werkelijkheid, omdat er, in Example 5, een experiment zou zijn beschreven dat niet is uitgevoerd. Volgens Amarna Therapeutics B.V. betreft dit geen vergissing, maar een bewuste onjuiste voorstelling van zaken. Uit onderzoek van Amarna Therapeutics B.V. zou blijken dat [naam 1] een actieve rol heeft gehad bij de bepaling van de inhoud van het octrooi en dat hij zich bewust moet zijn geweest van de onjuiste, misleidende weergave. [bedrijf] B.V. stelt daar tegenover dat het verwijt van Amarna Therapeutics B.V. feitelijk en juridisch onjuist is en heeft ter zitting gewezen op de second opinion van [naam 4] van Vereenigde Octrooibureaux N.V., welke op verzoek van [bedrijf] B.V. is opgesteld. Daaruit zou volgen dat de formulering van Example 5 juridisch en technisch deugt en dat Example 5 inhoudelijk juist is. Volgens Amarna Therapeutics B.V. kan de misleiding gevolgen hebben voor de beschermingsomvang en geldigheid van het Europese octrooi dat reeds is verleend. Bovendien loopt op basis van het Europese octrooi nog een octrooiaanvraagprocedure in de Verenigde Staten. Daar wordt misleiding van de octrooi-instanties als fraude gezien, aldus Amarna Therapeutics B.V. Vanwege de impact op de octrooibescherming die Amarna Therapeutics B.V. kan inroepen heeft de ontdekking tot gevolg dat de waarde van de octrooiportefeuille en daarmee de waarde van Amarna Therapeutics B.V. is verminderd. Daarnaast hebben investeerders in Amarna Therapeutics B.V. hun beslissingen mede gegrond op de octrooiportefeuille van Amarna Therapeutics B.V. Met de misleidende weergave in het octrooi zijn dus ook de investeerders misleid en dat kan ernstige consequenties hebben voor Amarna Therapeutics B.V.
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ook het geschil over de vraag of Amarna Therapeutics B.V. uit hoofde van de consultancyovereenkomst nog bedragen aan [bedrijf] B.V. verschuldigd is, zal in een bodemprocedure moeten worden beslecht. Daartoe is redengevend dat in het bestek van dit kort geding niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat Amarna Therapeutics B.V., zoals zij gemotiveerd stelt en [bedrijf] B.V. gemotiveerd betwist, mogelijk een forse tegenvordering op [bedrijf] B.V. heeft die het gevorderde bedrag overstijgt, in verband met een kennelijk voor haar bedrijfsvoering belangrijk octrooi dat tot stand zou zijn gekomen op basis van door [naam 1] / [bedrijf] B.V. aangeleverde misleidende informatie. Ook de vorderingen op basis van de consultancyovereenkomst komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Belangenafweging
4.9.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Ter zitting hebben Amarna c.s. onweersproken naar voren gebracht dat [bedrijf] B.V. een eigen vermogen van ongeveer € 600.000,00 heeft, waarvan ongeveer € 220.000,00 vlottende activa betreft. Van een dusdanige financiële nood aan de zijde van [bedrijf] B.V. dat een uitspraak in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake. Dat [naam 1] , zoals hij stelt, voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van inkomsten uit de B.V. en daarom wel spoedeisend belang heeft bij betaling van de facturen, doet in dit kort geding niet ter zake. Hij persoonlijk is immers geen partij in dit geding. Zijn persoonlijke belangen kunnen in deze procedure van [bedrijf] B.V. dan ook niet worden meegenomen.
Conclusie
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [bedrijf] B.V. integraal moeten worden afgewezen.
4.11.
[bedrijf] B.V. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Amarna c.s. worden begroot op:
- griffierecht € 7.062,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 8.347,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf] B.V. af;
5.2.
veroordeelt [bedrijf] B.V. in de proceskosten van € 8.347,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [bedrijf] B.V. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
lp