ECLI:NL:RBDHA:2026:19727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/636962 / JE RK 22-2198, C/09/696159 / JE RK 25-2132 en C/09/706658 / JE RK 26-999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265g lid 1 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde een zaak over de wijziging van de zorgregeling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing en om de regie over de zorgregeling te behouden. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin, waarvan de plaatsing uiterlijk op 31 juli 2026 eindigt.

De moeder, vader, pleegouders en de Raad voor de Kinderbescherming waren betrokken partijen. De moeder verzet zich tegen het plan van de gecertificeerde instelling en pleit voor thuisplaatsing bij haar. De vader ondersteunt geleidelijke thuisplaatsing en streeft naar een week-op-week-af regeling. De pleegouders merken een terugval in het gedrag van de minderjarige en twijfelen over hun toekomstige rol.

De Raad adviseert dat beëindiging van het ouderlijk gezag niet leidt tot voortzetting van de pleegplaatsing en benadrukt het belang van passende hulpverlening bij thuisplaatsing. De rechtbank oordeelt dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is en wijzigt de zorgregeling door de regie bij de gecertificeerde instelling te leggen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek voor het overige wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 augustus 2026 en legt de regie over de zorgregeling voorlopig bij de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer:
I. C/09/636962 / JE RK 22-2198 (wijziging zorgregeling)
II. C/09/696159 / JE RK 25-2132 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
III. C/09/706658 / JE RK 26-999 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
I.
Wijziging zorgregeling ex artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
II.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
III.
Niets meer te beslissen
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech te Den Haag.
[de pleegouder 1]en
[de pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 3 april 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank bepaald – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigtot 17 juli 2026 wordt gewijzigd in die zin dat [de minderjarige] de weekenden afwisselend bij de vader, de moeder en de pleegouders verblijft. Indien [de minderjarige] in het weekend bij één van de ouders verblijft, dan is hij daar van vrijdag (na school) tot zondag 19.00 uur. De regie voor de verdeling van de weekenden wordt bij de gecertificeerde instelling gelegd. De behandeling van het verzoek is verder aangehouden.
1.2.
Bij beschikking van 3 april 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening van pleegzorg verlengd tot 17 juni 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. Ook heeft de rechtbank de Raad verzocht om aanvullend onderzoek te verrichten naar wat het beëindigen van het ouderlijk gezag van (één van) de ouders zou betekenen voor een voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin. De rechtbank heeft de Raad daarnaast verzocht te adviseren over de wenselijkheid van het voortbestaan van het (gezamenlijk) ouderlijk gezag. Indien de Raad zou adviseren het ouderlijk gezag van beide ouders te beëindigen, diende de Raad ook advies uit te brengen over de te benoemde voogd(en). In het onderzoek moest ook meegenomen worden of een verandering in de beslisbevoegdheid van ouders gevolgen zou hebben voor de mogelijkheden tot het voortzetten van de huidige pleegzorgplaatsing.
1.3.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 3 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • het verzoekschrift in zaaknummer C/09/706658 / JE RK 26-999, met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026;
  • het rapport van de Raad, met bijlagen, gedateerd op 8 juni 2026, ontvangen op 12 juni 2026;
  • de stukken van de moeder van 12 juni 2026.
1.4.
Op 17 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Koenen (waarnemend voor mr. R.W. de Gruijl);
  • de pleegouders, ondersteund door de pleegzorgwerker [naam 2] ;
  • [naam 3] en [naam 4] namens de Raad.
1.5.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 3 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
Het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling strekt ertoe de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de gecertificeerde instelling verzoekt om de regie te mogen behouden over de zorgregeling.
3.2.
Daarnaast resteren van het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg op dit moment nog vijf maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] kan tot en met 31 juli 2026 bij het gezinshuis blijven wat betekent dat hij daarna naar een vervolgplek zal moeten of dat hij zal worden thuisgeplaatst. Jeugdformaat heeft aangegeven dat er geen pleeggezin beschikbaar is. Er is ook gedacht aan plaatsing in een gezinshuis, maar dit wordt niet wenselijk geacht. De gecertificeerde instelling meent dat een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader het meest in zijn belang lijkt. Dit betekent dat komende periode toegewerkt zal worden naar deze thuisplaatsing. Ter zitting is door de gecertificeerde instelling benoemd dat de rol van de moeder en de wens van [de minderjarige] voor een week op week af regeling nog niet zijn meegenomen in het terugplaatsingsplan. Dit zal de komende periode worden opgepakt. Er zal daarvoor binnenkort een gesprek worden gevoerd met de moeder en er is hulpverlening nodig om zicht te krijgen op haar thuissituatie. De omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de ouders zijn vanaf april gefaseerd opgebouwd. Zowel vanuit de ouders als vanuit Maatwerk komt een positief beeld naar voren over de ontwikkeling die hierin wordt gezien. Op hoe de ouders functioneren in de volledige opvoedsituatie is op dit moment echter nog beperkt zicht. De gecertificeerde instelling wil zorgvuldig onderzoeken of de opvoedsituaties van beide ouders voldoende veiligheid, rust, duidelijkheid en emotionele beschikbaarheid bieden. Er kan daarnaast nog niet worden vastgesteld dat is voldaan aan alle voorwaarden van de richtlijn
Gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Daarvoor is nadere observatie en begeleiding noodzakelijk. De gecertificeerde instelling wil daarom de komende periode passende en structurele hulpverlening inzetten. Hierbij denkt de gecertificeerde instelling aan een aantal hulpverleningstrajecten. De inzet is gericht op het versterken van de opvoedvaardigheden van de ouders, het verbeteren van de onderlinge samenwerking, het creëren van een stabiel opvoedklimaat en het ondersteunen van [de minderjarige] in zijn emotieregulatie en ontwikkeling. Het is de verwachting dat VUHP eind augustus kan starten. In de tussenliggende periode zal er ondersteuning beschikbaar zijn van Jeugdformaat en zullen er voorbereidende gesprekken plaatsvinden. De inzet van VUHP is van belang om zicht te krijgen op de veiligheid van de thuissituatie. Daarnaast zal het NIKA-traject worden opgestart, wordt gezinsvertegenwoordiging ingezet en ontvangt [de minderjarige] individuele hulpverlening waaronder Slapende Honden Wakker Maken (SHWM). De gecertificeerde instelling vindt het wenselijk dat er een jongerencoach wordt ingezet voor [de minderjarige] en zal onderzoeken wat de reeds betrokken begeleider van Maatwerk hierin kan betekenen. Ten aanzien van de individuele hulpverlening van de ouders geeft de gecertificeerde instelling aan dat de vader dit heeft afgerond en dat de moeder kortgeleden is gestart met haar traject.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder is het niet eens met het plan van de gecertificeerde instelling. Ook doorplaatsing van [de minderjarige] in een ander pleeggezin dan wel gezinshuis vindt zij niet wenselijk. Thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder is het meest in zijn belang. De moeder biedt [de minderjarige] stabiliteit en sluit aan bij zijn behoeften. Het frustreert haar dat de gecertificeerde instelling zich in het terugplaatsingsplan enkel richt op de vader en zijn thuissituatie. Er wordt niet gekeken naar de moeder, haar rol en de positieve ontwikkelingen die zij de laatste periode heeft doorgemaakt. Ook de ontwikkelingen tussen haar en [de minderjarige] worden onvoldoende gewaardeerd. Uit de stukken van de gecertificeerde instelling blijkt daarnaast niet waarom de moeder geen fijn, stabiel en duurzaam opvoedperspectief voor [de minderjarige] zou kunnen bieden. De moeder meent dat zij heeft laten zien leerbaar te zijn en dat zij kan reflecteren op haar gedrag. Daaraan voegt de moeder toe dat zij door de omgangsbegeleiding gecomplimenteerd wordt en een positieve samenwerking heeft met derden, waaronder pleegzorg. Ze vindt het belangrijk dat er omgang is tussen [de minderjarige] en de vader, maar meent dat dit onder bepaalde voorwaarden moet verlopen en begeleid moet plaatsvinden. De moeder benoemt dat het volgen van individuele therapie en de zorg voor [de minderjarige] haar veel energie kosten waardoor zij momenteel geen ruimte ziet om aanvullende hulpverlening te volgen, zoals gezinsvertegenwoordiging. Ze zou het fijn vinden als het huidige pleeggezin of een ander gastgezin haar kan ondersteunen zodat zij ontlast kan worden. Contact houden met het huidige pleeggezin is ook in het belang van [de minderjarige] .
4.2.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader meent dat de thuisplaatsing van [de minderjarige] in de zomervakantie geleidelijk aan vorm kan krijgen. Hij ziet graag dat de zorg voor [de minderjarige] aan het eind van de zomervakantie volledig bij de ouders ligt. De benodigde hulpverlening kan ook op korte termijn starten waardoor dit mogelijk is. De vader heeft wel nog wat vragen over concrete zaken zoals de startdatum, evaluatiemomenten en wat de definitie van ‘goed genoeg’ is. Hij streeft naar de wens van [de minderjarige] om toe te werken naar een ‘week op week af’- regeling. De vader is van mening dat er gestart kan worden met de thuisplaatsing en dat er ten aanzien van de zorgregeling regie nodig is vanuit de gecertificeerde instelling. De vader meent dat een langere uithuisplaatsing en mogelijke overplaatsing van [de minderjarige] zal leiden tot onrust.
4.3.
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt in het pleeggezin, maar dat er de laatste periode weer een terugval te zien is in zijn gedrag. [de minderjarige] leeft op dit moment in drie werelden, dat is voor hem te veel. Op dit moment weten zij nog niet of het voor hen mogelijk is om structureel betrokken te blijven als weekendpleeggezin. De pleegouders benoemen daarbij wel dat het mogelijk is dat [de minderjarige] af en toe langskomt.
4.4.
De Raad heeft in opdracht van de rechtbank advies uitgebracht over [de minderjarige] . De Raad concludeert dat het beëindigen van het gezag van (één van) de ouders niet zal maken dat de huidige plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin kan worden voortgezet. De plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin zal de komende weken eindigen. De aanvaardbare termijn is inmiddels ruimschoots overschreden wat betekent dat het van belang is dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. De Raad vindt het wenselijk dat daarbij wordt geluisterd naar de wens van [de minderjarige] om bij beide ouders op te groeien. Een tijdelijke plaatsing in bijvoorbeeld een logeerhuis is niet passend. De Raad merkt op dat de opvoedvaardigheden van de ouders niet eerder een probleem zijn geweest. De zorgen over de acute veiligheid in de thuissituatie daarentegen wel. Hierom is het van belang dat er bij thuisplaatsing passende hulpverlening, onder meer vanuit VUHP, wordt ingezet. De Raad merkt daarbij op dat veiligheid van [de minderjarige] voorafgaand aan de uithuisplaatsing in het geding kwam doordat zijn gedrag te ingewikkeld werd vanuit het knel zitten in de dynamiek van de ouders. De dynamiek tussen de ouders is volgens de Raad het grootste knelpunt. De verantwoordelijkheid voor het verbeteren hiervan ligt bij de ouders. Er is door de gecertificeerde instelling een plan opgesteld voor thuisplaatsing waarin voorwaarden en doelen zijn opgesteld alsook de benodigde hulpverlening. Hieraan zal vanuit de thuissituatie worden gewerkt, onder de regie van de gecertificeerde instelling.

5.De beoordeling

Machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Door de gecertificeerde instelling is een verzoek [1] (III) tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling ingediend. De rechtbank interpreteert het verzoekschrift en de daarbij ingediende bijlagen als zijnde de schriftelijke update in zaak II [2] waarom door de rechtbank in de beschikking van 3 april 2026 was verzocht. De rechtbank constateert derhalve dat er geen beslissing meer hoeft te worden genomen op het verzoek in zaak III.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [3]
5.3.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De plaatsing van [de minderjarige] in het huidige pleeggezin eindigt uiterlijk op 31 juli 2026. Het beëindigen van het gezag van (één van) de ouders zal – zoals volgt uit het onderzoek van de Raad – niet maken dat de huidige plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin kan worden voortgezet. De rechtbank zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 augustus 2026 verlengen en het verzoek voor het overige afwijzen.
5.4.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een langere uithuisplaatsing bij het huidige pleeggezin niet mogelijk is. Doorplaatsing van [de minderjarige] op een andere plek is naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn belang. Los daarvan is er ook geen (passende) plek voor hem beschikbaar. Dit betekent dat de komende periode door middel van het thuisplaatsingsplan en onder de regie van de gecertificeerde instelling gewerkt zal worden aan thuisplaatsing van [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven dat het thuisplaatsingsplan nog niet volledig is uitgewerkt. De opvoedsituatie van de moeder en de wens van [de minderjarige] zullen onder meer moeten worden meegenomen in de nadere uitwerking daarvan.
5.5.
Zoals door de rechtbank in de beschikking van 3 april 2026 reeds is overwogen bestaan er nog altijd grote zorgen over de voorlopige opvoedvisie van de gecertificeerde instelling aangezien er sinds de uithuisplaatsing geen passende hulpverlening is ingezet. Inmiddels is duidelijk dat door de huidige omstandigheden niet langer kan worden gewacht op het inzetten van deze hulpverlening voordat gestart wordt met de thuisplaatsing. Dit betekent niet dat de hulpverlening niet meer noodzakelijk is. De rechtbank benadrukt het belang hiervan en onderschrijft – net als de Raad – dat dit opgestart en gevolgd dient te worden tijdens de thuisplaatsingsperiode van [de minderjarige] . Daarnaast is de inzet van de hulpverlening van groot belang om zicht te krijgen of er in de opvoedsituatie van beide ouders wordt geconstateerd dat de ouders voldoende aansluiten bij de opvoedbehoeften van [de minderjarige] als zij weer de volledige zorg voor hem dragen. Gelet op het voornoemde is het van belang dat de gecertificeerde instelling een strakke regie voert en de situatie van [de minderjarige] nauwlettend in de gaten houdt.
5.6.
De rechtbank maakt zich – evenals de Raad – zorgen over de dynamiek tussen de ouders, die schadelijk is voor [de minderjarige] . Ook op de zittingen komt deze dynamiek naar voren. Om te bewerkstelligen dat de thuisplaatsing van [de minderjarige] succesvol kan verlopen is het noodzakelijk dat er nu een verandering komt in deze dynamiek tussen hen . In het verleden is gebleken dat de kindsignalen van [de minderjarige] uit deze dynamiek voortkomen. Op het moment dat in deze dynamiek geen verbetering plaatsvindt, zal de situatie ook niet in positieve zin kunnen veranderen en zullen de zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] weer verder toenemen. Het is aan beide ouders om zich hiervoor dus maximaal in te zetten. Dit betekent dat zij [de minderjarige] emotionele toestemming moeten geven om bij de andere ouder te verblijven. De ouders dienen zich daarbij alleen op hun eigen wijze van verzorging en opvoeding te concentreren en [de minderjarige] te vrijwaren van spanningen tussen hen onderling. Eventueel commentaar dat zij menen dat belangrijk is, kunnen zij zo nodig aan de jeugdbeschermer laten weten, maar niet aan [de minderjarige] . Wijzigt de dynamiek, die de rechtbank ook op de zittingen heeft gezien, niet, dan moeten beide ouders rekening houden met een (verdere) terugval bij [de minderjarige] en herbeoordeling van het thuisplaatsingsplan.
Wijziging zorgregeling
5.7.
Ten aanzien van de wijziging van de zorgregeling oordeelt de rechtbank dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de zorgregeling voorlopig wordt gewijzigd. De rechtbank zal de zorgregeling wijzigen, in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat de regie voor de invulling van de zorgregeling bij de gecertificeerde instelling wordt gelegd. Met het oog op het vormgeven van de thuisplaatsing van [de minderjarige] is het wenselijk dat de gecertificeerde instelling de zorgregeling kan vormgeven op een manier die passend is bij de situatie. Daarbij dient rekening gehouden te worden met wat haalbaar en in het belang van [de minderjarige] is.
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 augustus 2026;
6.2.
bepaalt
voorlopigtot 17 december 2026 – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat de regie voor de invulling van de zorgregeling bij de gecertificeerde instelling wordt gelegd;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
stelt vast dat er in zaaknummer C/09/706658 / JE RK 26-999 niets meer te beslissen valt;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 25 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Zaaknummer C/09/706658 / JE RK 26-999
2.Zaaknummer C/09/696159 / JE RK 25-2132
3.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.