ECLI:NL:RBDHA:2026:19748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
09-347171-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 37a lid 1 SrArt. 36f SrArt. 361 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid na mishandeling met mes

Op 20 december 2025 ontstond een conflict tussen verdachte en het slachtoffer in de woning van verdachte, waarbij geweld werd gebruikt. Verdachte stak met een broodmes twee keer in de richting van het lichaam van het slachtoffer, waarbij één keer een oppervlakkige snijwond aan de hand van het slachtoffer werd toegebracht. De rechtbank achtte de poging tot zware mishandeling niet bewezen, maar verklaarde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging voerde een beroep op noodweer en noodweerexces aan, maar de rechtbank verwierp dit omdat verdachte de confrontatie begon en het geweld escaleerde. Uit een Pro Justitia Rapport bleek dat verdachte ten tijde van het feit leed aan een floride psychose en cannabisstoornis, waardoor zij volledig ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank ontsloeg verdachte daarom van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie vorderde een tbs-maatregel, maar de rechtbank wees dit af omdat het bewezen feit niet kwalificeerde voor tbs. Ook een zorgmachtiging werd niet opgelegd omdat verdachte geen zorgweigering toonde. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. De rechtbank bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en ontslagen van alle rechtsvervolging; mishandeling bewezen, poging tot zware mishandeling vrijgesproken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/347171-25
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 april 2026 (pro forma) en 2 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.H. Limburg en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. G.S.J. van Gestel naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 juli 2026 – ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 20 december 2025 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen met een mes in de richting van de nek/hals en/of het gezicht/hoofd en/of in het lichaam heeft gestoken/ gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 20 december 2025 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- met een mes in de hand en/of de nek/hals te steken en/of snijden en/of
- meermalen tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam te slaan/stompen en/of
- meermalen tegen de benen en/of het lichaam te schoppen/trappen en/of een knietje in/tegen het geslachtsdeel te geven.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde komt, heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor het primair ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte ontkent in (de richting van) de nek van [slachtoffer] te hebben gestoken en dat het handelen van de verdachte ook anderszins geen poging tot zware mishandeling oplevert. Ook op grond van de overige bewijsmiddelen kan niet worden geconcludeerd dat de wond in de hals afkomstig is van een mes. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behoudens wat betreft het met een mes toebrengen van letsel in de hals van [slachtoffer] .
3.3
De gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4
Bewijsoverwegingen
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 20 december 2025 is in de woning van de verdachte tussen de verdachte en de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) een ruzie ontstaan over spullen die over en weer terug gegeven moesten worden. [slachtoffer] vroeg de verdachte om zijn spullen en tikte daarbij met zijn vingers op haar hoofd. De verdachte heeft [slachtoffer] toen van zich af geduwd en heeft hem een knietje in zijn kruis gegeven. [slachtoffer] sloeg daarop de verdachte met zijn vuist in haar gezicht. De verdachte heeft geroepen “kom dan” en heeft [slachtoffer] met haar vuist in zijn gezicht geslagen. De verdachte is vervolgens de keuken in gelopen en [slachtoffer] is achter haar aan gelopen. [slachtoffer] heeft de verdachte ‘gefouilleerd’ en zijn ring uit de zak van de verdachte gepakt. De verdachte heeft [slachtoffer] daarop verder de keuken in geschopt. [slachtoffer] heeft een stok gepakt, die kapot gemaakt en de verdachte daarmee geslagen. De verdachte heeft de stok beetgepakt en in de daaropvolgende worsteling heeft [slachtoffer] zijn arm om de nek van de verdachte geklemd. Beide partijen zijn op de grond gevallen waarbij ook een metalen ladder die in de keuken stond op hen terecht is gekomen. Om uit de wurgklem te komen heeft de verdachte [slachtoffer] gekrabd en hem meermalen met de ladder geslagen. De verdachte kon vervolgens opstaan, waarbij [slachtoffer] nog steeds zijn arm om haar nek had geklemd. De verdachte heeft op dat moment met haar rechterhand een gekarteld broodmes van het aanrecht gepakt en daarmee twee keer in de richting van het lichaam van [slachtoffer] gestoken. Bij de eerste steekbeweging heeft het mes het lichaam van [slachtoffer] niet geraakt en is het mes voor zijn buik langs gegaan. Bij de tweede steekbeweging heeft de verdachte [slachtoffer] in zijn rechterhand geraakt, waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. Daarna heeft [slachtoffer] de woning van de verdachte verlaten.
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte [slachtoffer] met het mes in zijn nek heeft geraakt en evenmin dat zij in de richting van de nek van [slachtoffer] heeft gestoken. Zij heeft zelf verklaard dat zij twee keer in de richting van het lichaam van [slachtoffer] heeft gestoken, waarbij zij hem één keer in zijn hand heeft geraakt. [slachtoffer] heeft zelf in zijn verhoor verklaard dat de verdachte een steekbeweging maakte in de richting van zijn buik, dat zij twee keer heeft uitgehaald en dat zij uithaalde naar de linkerkant van zijn lichaam. Hij heeft daarbij niet verklaard dat de verdachte heeft gestoken in of in de richting van zijn nek. Het letsel in de nek van verdachte bevond zich daarnaast aan de rechterkant van zijn lichaam. De processen-verbaal van bevindingen ter plaatse maken dat niet anders. Daaruit volgt weliswaar dat [slachtoffer] letsel had in zijn nek en dat hij verklaarde te zijn gestoken, maar niet dat hij heeft verklaard met het mes te zijn gestoken in zijn nek. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat het letsel in de nek van [slachtoffer] op andere wijze is ontstaan tijdens het incident, bijvoorbeeld door het slaan met de metalen trap.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bij de verdachte, door tweemaal met een mes in de richting van het lichaam van [slachtoffer] te steken waarbij zij hem eenmaal in zijn hand heeft geraakt, sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg door haar handelen zal intreden. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte twee keer een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam, meer in het bijzonder de buik, van [slachtoffer] . Zij heeft dit gedaan met een broodmes met een gekarteld lemmet van ongeveer 10 centimeter en een stomp uiteinde. Zij heeft die steekbewegingen gemaakt van onder naar boven, terwijl zij voorovergebogen stond en [slachtoffer] zijn arm om haar nek had geklemd. De verdachte heeft [slachtoffer] bij één van deze steekbewegingen geraakt in zijn hand, wat heeft geleid tot een oppervlakkige snijwond. De rechtbank is van oordeel dat daarmee niet kan worden vastgesteld dat er door het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.
De rechtbank acht de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit, de mishandeling, wel wettig en overtuigend bewezen. Ter terechtzitting heeft de verdachte de gang van zaken zoals die uit het dossier naar voren is gekomen en zoals die hierboven is samengevat, in grote lijnen bevestigd.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 20 december 2025 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- met een mes in de hand te steken en
- meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en
- meermalen tegen het lichaam te schoppen en een knietje tegen het geslachtsdeel te geven.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van een van de ten laste gelegde feiten komt, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat haar een beroep op noodweer toekomt.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en het verdachte is geweest die is begonnen met het geweld.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ingevolge artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient voor een geslaagd beroep op noodweer sprake te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.
Uit de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor opgenomen onder 3.4 blijkt dat het de verdachte is geweest die, tot tweemaal toe, is begonnen met het toepassen van geweld. Zij heeft als eerste [slachtoffer] een klap in het gezicht gegeven. Daarna heeft zij in de keuken, toen het conflict enigszins was gede-escaleerd, wederom als eerste een trap uitgedeeld. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de situatie waarbij [slachtoffer] zijn arm om haar nek had geklemd en de verdachte hem vervolgens heeft gestoken met het mes. Op basis van die feiten is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte is geweest die de confrontatie is begonnen en heeft geëscaleerd naar fysiek geweld. Daarom komt de verdachte geen beroep toe op noodweer. Dat beroep wordt dan ook verworpen.
Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is geweest van noodweerexces. De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar is, maar heeft daar ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte geen conclusies aan verbonden.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Ter beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapportage van [naam 1] , GZ- psycholoog en [naam 2] , psychiater (hierna: het Pro Justitia Rapport) van 8 april 2026, waarvoor de verdachte tussen 28 januari 2026 en 25 maart 2026 meermalen is bezocht. Uit het Pro Justitia Rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een psychose, deels in remissie, in het kader van schizofrenie en van een stoornis in het gebruik van cannabis. Tijdens psychosen, en niet daarbuiten, is verdachte bekend met onvoorspelbare agressie. Dit lijkt voort te komen vanuit de combinatie van desorganisatie en paranoïdie die bij haar psychose aanwezig zijn.
In relatie tot het ten laste gelegde feit concludeert het Pro Justitia Rapport dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een floride psychose en een stoornis in het gebruik van cannabis. De verdachte was op het moment van het ten laste gelegde niet in staat om (reële) gedragsalternatieven te bedenken, maar handelde geheel vanuit haar psychose. Er was sprake van oordeels- en kritiekstoornissen waardoor haar vermogen om situaties correct in te schatten en haar eigen gedrag te beoordelen, was aangetast. De rapporteurs adviseren om het ten laste gelegde de verdachte niet toe te rekenen.
De rechtbank verenigt zich met de conclusies uit voornoemd Pro Justitia Rapport en neemt die conclusies over. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en dat de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit niet strafbaar is en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Nu de rechtbank op bovengenoemde grond de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op het beroep van de raadsman op noodweerexces.

6.De oplegging van een maatregel

6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden wordt opgelegd, met daaraan verbonden de voorwaarden die de reclassering in het maatregelenrapport heeft geadviseerd. De officier van justitie heeft tevens gevorderd die maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat kan worden volstaan met het opleggen van een zorgmachtiging. Subsidiair heeft de verdediging oplegging van een geheel voorwaardelijke straf bepleit, met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld, zoals de reclassering die heeft geadviseerd in het kader van een eventuele tbs met voorwaarden. .
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 37a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank een tbs-maatregel alleen opleggen indien (1) bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, en (2) het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in dat artikel. Dat is hier niet het geval.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank verklaart alleen de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen. Op dat feit is op grond van artikel 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht een maximale gevangenisstraf gesteld van drie jaren, en dit artikel is niet specifiek genoemd in artikel 37a lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht. Aldus kan aan verdachte geen tbs-maatregel worden opgelegd.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende ten aanzien van een zorgmachtiging. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg stelt in artikel 2:1 lid 2 als Pro uitgangspunt dat verplichte zorg alleen kan worden overwogen als uiterste middel, indien er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg meer zijn. Ter zitting heeft de verdachte helder en samenhangend verklaard en aangegeven dat zij graag ambulante behandeling en een medicatiedepot wil, alsmede dat zij voornemens is geen cannabis meer te gaan gebruiken. Van zorgweigering is aldus geen sprake. In dat licht bezien ziet de rechtbank thans geen aanleiding of mogelijkheid om op grond van artikel 2.3 Wet forensische zorg ambtshalve voorbereidingen te laten treffen teneinde een zorgmachtiging af te geven.

8.De vordering van de benadeelde partij

8.1
De vordering
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 4.704,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.204,46 aan materiële schade - bestaande uit € 204,46 aan gemaakte medische kosten en € 2.000, - aan toekomstige medische kosten, en € 2.500 aan immateriële schade.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft verzocht om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde medische kosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de toekomstige kosten heeft de raadsman verzocht [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, dan wel dat deze dient te worden afgewezen, nu niet vast staat dat [slachtoffer] een litteken heeft overgehouden aan dit feit. Het gestelde verlies van een woning moet volgens de raadsman buiten beschouwing worden gelaten, nu de verdachte dakloos was en voorafgaand en ten tijde van het incident bij de verdachte inwoonde.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 361 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in zijn vordering als aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, er een zorgmachtiging wordt afgegeven of de rechtbank artikel 9a Wetboek van Strafrecht toepast.
In dit geval wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en wordt geen maatregel opgelegd. Er doet zich ook geen ander geval voor als bedoeld in artikel 361 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering waardoor de benadeelde partij ontvankelijk kan zijn. Dit betekent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.
De rechtbank zal de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
mishandeling;
verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en
ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.Y. van Gameren, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. R. Wieringa, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Assies, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.