ECLI:NL:RBDHA:2026:19750

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
09/246043-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 55 SrArt. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige oplichting en valsheid in geschrift met valselijke facturen

De rechtbank Den Haag heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan meervoudige oplichting en valsheid in geschrift. Gedurende de periode van mei 2023 tot maart 2024 heeft de verdachte met listige kunstgrepen ING Bank bewogen tot het uitbetalen van ruim 668.000 euro, door het zonder toestemming gebruiken van briefpapier van twee bedrijven en het opmaken van facturen voor niet verrichte werkzaamheden.

De verdachte heeft tijdens de terechtzitting bekend en er is geen vrijspraak bepleit door zijn raadsman. De rechtbank heeft het bewezen verklaard dat de verdachte de facturen valselijk heeft opgemaakt en vervalst met het oogmerk deze als echt te gebruiken. De strafbaarheid van de feiten en de verdachte is vastgesteld zonder uitsluitingsgronden.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de grote financiële schade voor ING, het vertrouwen dat is geschaad, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn proceshouding en spijtbetuiging. Gezien deze factoren is een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

De strafoplegging weerspiegelt de ernst van het delict en beoogt zowel vergelding als preventie. De verdachte is vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens meervoudige oplichting en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/246043-25
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 maart 2026 (pro forma) en 19 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.A.C. Looijestijn, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. W.K. Cheng, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 26 maart 2024 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, ING Bank N.V. heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
de verstrekking van een of meer geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 668.702,03, zijnde betalingen vanuit een (bouw)depot en/of hypothecaire lening door
- zonder toestemming het briefpapier van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] te gebruiken voor een of meer facturen en/of
- op die facturen werkzaamheden en/of kosten van werkzaamheden te vermelden die in werkelijkheid nooit zijn verricht en/of
- die valselijk opgemaakte facturen bij de ING Bank N.V. in te dienen;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 26 maart 2024 te Alphen aan den Rijn meermalen, althans eenmaal, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meer facturen ten name van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door
- zonder toesteming briefpapier van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] te gebruiken voor die facturen en/of
- op die facturen werkzaamheden en/of kosten voor die werkzaamheden te vermelden die in werkelijkheid nooit zijn verricht, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 26 maart 2024 te Alphen aan den Rijn meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, te weten
- een of meer facturen ten name van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door deze geschriften op te sturen/verstrekken aan de ING Bank N.V., ter uitbetaling van geldbedragen uit een (bouw)depot en/of hypothecaire lening.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot feit 1 en feit 2 primair gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DHRDC25003, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 603).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens ING Bank, opgemaakt op 13 november 2024, met bijlagen 13 en 23 (p. 6 t/m 14, 177, 179 t/m 189, 191, 193, 342 t/m 347, 349 en 350);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 maart 2025 (p. 409 t/m 442).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van
24 mei 2023 tot en met 12 maart 2024in Nederland meermalen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, ING Bank N.V. heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten
de verstrekking van geldbedragen van in totaal EUR 668.702,03, zijnde betalingen vanuit een bouwdepot door
- zonder toestemming het briefpapier van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te gebruiken voor facturen en
- op die facturen werkzaamheden en kosten van werkzaamheden te vermelden die in werkelijkheid nooit zijn verricht en
- die valselijk opgemaakte facturen bij de ING Bank N.V. in te dienen;
2
hij in de periode van 24 mei 2023 tot en met 12 maart 2024 te Alphen aan den Rijn meermalen een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten facturen ten name van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft vervalst door
- zonder toestem
ming briefpapier van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te gebruiken voor die facturen en
- op die facturen werkzaamheden en kosten voor die werkzaamheden te vermelden die in werkelijkheid nooit zijn verricht, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en diens proceshouding. Ook heeft de raadsman te kennen gegeven dat de verdachte in staat is tot het uitvoeren van een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan het vervalsen van facturen en oplichting van ING. Door zo te handelen heeft de verdachte ING niet alleen grote financiële schade toegebracht (ruim zes ton), maar ook het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van facturen ernstig beschaamd. Er is slechts een einde gekomen aan het strafbare handelen van de verdachte door ontdekking door ING en niet door enige handeling van de kant van de verdachte.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. Kort samengevat heeft de verdachte verklaard dat hij financieel aan de grond zit en dat hij ook in zijn persoonlijk leven veel negatieve gevolgen ondervindt van de bewezen verklaarde feiten.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke zaken doorgaans wordt opgelegd. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft namelijk, vanaf het moment dat hij bekend werd met het strafrechtelijke onderzoek dat tegen hem liep, zijn volledige medewerking daaraan verleend en spijt betuigd van de door hem gepleegde feiten. Hoewel de redelijke termijn niet is overschreden, houdt de rechtbank er eveneens in strafmatigende zin rekening mee dat de bewezen verklaarde feiten langere tijd geleden hebben plaatsgehad.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen om enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair:
eendaadse samenloop van
oplichting, meermalen gepleegd
en
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. F. Bouman, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. N.T.G. Levelt en Ö. Aydin, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.