ECLI:NL:RBDHA:2026:19755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
09/029100-26, 09/010453-26 en 09/142139-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling, bedreiging en schuldheling met tbs-maatregel en gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig maakte aan meerdere mishandelingen, bedreiging en schuldheling. De verdachte mishandelde zorgverleners in januari 2026 en bedreigde een van hen met woorden en fysiek geweld. Daarnaast werd hij veroordeeld voor schuldheling van een gestolen fiets in 2025.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van voorwaardelijk opzet. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte mishandeling en bedreiging pleegde met voorwaardelijk opzet. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen.

Psychiatrische rapportages toonden aan dat de verdachte leed aan een schizo-affectieve stoornis met ernstige verslavingsproblematiek en een hoog risico op herhaling van agressief gedrag. Gezien de ernst van de problematiek en het gevaar voor de samenleving legde de rechtbank een gevangenisstraf van 90 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met dwangverpleging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens mishandeling, bedreiging en schuldheling; vrijspraak poging doodslag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/029100-26, 09/010453-26 en 09/142139-25
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de penitentiaire inrichting [regio] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R.P. Tuinenburg, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I (09/029100-26)
1
hij op of omstreeks 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] in/tegen de buik, althans tegen het lichaam, te schoppen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;
2
hij op of omstreeks 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] bij de kraag heeft gepakt en/of (vervolgens) die kraag strak heeft aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] bij de kraag heeft gepakt en/of (vervolgens) die kraag strak heeft aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] bij de kraag te pakken en/of (vervolgens) die kraag strak aan te trekken;
3
hij op of omstreeks 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] bij de kraag te pakken en/of (vervolgens) die kraag strak aan te trekken en/of (daarbij) aan hem de woorden toe te voegen: "Zo, ga jij nu maar lekker vechten voor je leven", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking;
Dagvaarding II (09/010453-26)
1
hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2026 tot en met 11 januari 2026 te
’s-Gravenhage [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] te slaan in zijn nek en/of tegen zijn borst en/of in zijn vinger te bijten en/of op de grond met die [slachtoffer 3] te
worstelen;
2
hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2026 t/m 11 januari 2026 te
’s-Gravenhage [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] (hard) bij haar pols(en) vast te pakken en/of aan haar haren te trekken en/of op de grond met die [slachtoffer 4] te worstelen;
Dagvaarding III (09/142139-25)
hij in of omstreeks de periode 24 april 2025 tot en met 10 mei 2025 te Leiden,
een mountainbike, althans enig goed, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 2 primair ten laste gelegde alsmede van de overige ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle bij dagvaarding I en bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding I, betrouwbaarheid van de getuigen
De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen, dan wel aangiftes, van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige] (hierna: de getuigen) in twijfel getrokken en zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [getuige] van het bewijs dient te worden uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van alle drie de getuigen betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De getuigen hebben, ieder afzonderlijk, gedetailleerd en consistent verklaard over hetgeen zich in de separeercel heeft afgespeeld. Ook komen hun verklaringen in de kern onderling met elkaar overeen. Kort gezegd verklaren alle drie de getuigen dat de verdachte opstond, terwijl hij dat niet mocht doen, in een worsteling met [slachtoffer 2] , en daarna ook met sommige andere medewerkers, belandde en dat die [slachtoffer 2] vervolgens gezegd heeft dat hij geen lucht kreeg. Daarnaast blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden niet dat de getuigenverklaringen evident onjuist zijn; de beschrijving komt juist overeen met hetgeen de getuigen in de kern daarover verklaard hebben.
De omstandigheid dat de verschillende verklaringen op onderdelen niet geheel eensluidend zijn, doet voorts geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, gelet op het chaotische karakter van het incident en de omstandigheid dat de getuigen vanaf verschillende plekken hebben gezien wat er gebeurde. Dat sprake was van een chaotische situatie betekent anderzijds ook niet dat de getuigen niet betrouwbaar zouden kunnen verklaren over hetgeen zij vanuit hun verschillende posities hebben waargenomen. Dat van getuige [getuige] niet exact kan worden vastgesteld waar zij gestaan heeft in de separeercel doet naar het oordeel van de rechtbank ook niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Het staat vast dat zij in de vrij kleine separeercel aanwezig was voorafgaand aan, gedurende en na afloop van het geweld dat daar heeft plaatsgevonden. Dat zij hetgeen zij heeft verklaard onmogelijk zelf heeft kunnen waarnemen is de rechtbank dan ook niet gebleken.
Dagvaarding I, feit 1: mishandeling
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling aangezien bij de verdachte niet het daarvoor vereiste opzet aanwezig zou zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door wild in het rond te trappen terwijl medewerkers van de kliniek hem in bedwang trachten te krijgen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarmee (één van) deze medewerkers zou raken en hen zo pijn zou doen of letsel zou toebrengen. Aldus is bij de verdachte wel sprake geweest van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.
Concluderend acht de rechtbank het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde bewezen.
Dagvaarding I, feit 2, primair: poging doodslag
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag op [slachtoffer 2] en daartoe onder meer aangevoerd dat sprake zou zijn geweest van vol opzet.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood van het slachtoffer had, al dan niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte “vol” opzet had op de dood van [slachtoffer 2] .
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van de aangever – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg door zijn handelen zal intreden. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarnaast geldt voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte de kraag van [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en deze strak heeft aangetrokken. Ook staat vast dat [slachtoffer 2] op enig moment gezegd heeft dat hij geen lucht kreeg.
Uit het dossier blijkt echter onvoldoende met welke intensiteit, kracht en duur het aantrekken van de kraag van [slachtoffer 2] heeft plaatsgehad. In het proces-verbaal van aanhouding (p. 23 t/m 24) staat weliswaar vermeld dat [slachtoffer 2] 10 tot 15 seconden geen lucht zou hebben gekregen, maar uit dit proces-verbaal, of enig ander deel van het dossier, blijkt niet uit welke bron deze informatie afkomstig is. Voorts bieden de getuigenverklaringen noch de (beschrijving van de) foto’s van de nek van aangever verder concrete informatie met betrekking tot het voorgaande. Ook de keelpijn die [slachtoffer 2] na het incident heeft ervaren kan hier geen informatie over verschaffen nu [slachtoffer 2] zelf heeft verklaard dat hij niet wist of die het gevolg is geweest van het aantrekken van zijn kraag of van iets anders.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] door het vastpakken en aantrekken van zijn kraag door de verdachte. Aldus kan voorwaardelijk opzet bij de verdachte op de dood van [slachtoffer 2] niet worden bewezen en zal hij van de hem primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.
Dagvaarding I, feit 2, subsidiair: poging tot zware mishandeling
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dan wel sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] . De rechtbank is om dezelfde redenen als hierboven vermeld van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] door de handelingen van de verdachte. Aldus kan voorwaardelijk opzet bij de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] niet worden bewezen en zal hij van de hem subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling worden vrijgesproken.
Dagvaarding I, feit 2, meer subsidiair: mishandeling
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling aangezien bij de verdachte niet het daarvoor vereiste opzet aanwezig zou zijn geweest. Door [slachtoffer 2] bij zijn kraag te pakken en deze strak aan te trekken heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daarmee [slachtoffer 2] pijn zou doen of letsel zou toebrengen. Aldus is bij de verdachte wel sprake geweest van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling omdat de verdachte uit noodweer zou hebben gehandeld. Hiertoe is aangevoerd dat de aangever alleen wilde vragen of hij mocht roken, waarna hij gelijk werd besprongen door [slachtoffer 2] en, terwijl de verdachte zich probeerde te bevrijden, vervolgens ook door sommige andere aanwezige medewerkers.
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer alleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer 2] (of anderen). Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte opstond terwijl hij dit niet mocht doen en ook wist dat hij dit niet mocht doen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het hem op dat moment duidelijk was dat de verdachte agressief werd en ook de getuigen [slachtoffer 1] en [getuige] verklaren dat de verdachte zich agressief opstelde. Dat op de camerabeelden geen agressieve handelingen van de verdachte te zien zouden zijn is de rechtbank enerzijds niet gebleken en hoeft anderzijds ook niet te betekenen dat de verdachte niet agressief overkwam op de aanwezigen in de separeercel. Vervolgens is de verdachte door [slachtoffer 2] vastgepakt ten einde hem te controleren en weer naar het bed te bewegen. Gelijk hierop is een worsteling ontstaan tussen [slachtoffer 2] en de verdachte waarbij andere aanwezige personeelsleden vervolgens betrokken raakten. In het licht van voornoemde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte en dus niet van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Concluderend acht de rechtbank het bij dagvaarding I onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen.
Dagvaarding I, feit 3: bedreiging
De raadsman heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de ten laste gelegde bewoordingen, te weten “zo, ga jij nu maar lekker vechten voor je leven”, heeft gezegd.
Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte deze woorden, althans woorden van dergelijke aard of strekking, wel heeft gebruikt. Dit blijkt uit de betrouwbaar geachte verklaringen van [slachtoffer 2] en van [getuige] . Dat het voorgaande niet te horen is op de camerabeelden doet daar niet aan af, gelet op de chaotische en luidruchtige situatie op het moment dat deze woorden (of woorden van dergelijke aard of strekking) zijn gezegd.
De raadsman heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen omdat voormelde woorden in de gegeven omstandigheden niet tot de reële vrees konden leiden dat het misdrijf waarmee werd gedreigd zou worden gepleegd.
Zoals de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld heeft de verdachte [slachtoffer 2] bij zijn kraag vastgepakt en deze strak aangetrokken. Ook heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij slecht lucht kreeg en hebben getuigen gehoord dat hij zei dat hij geen lucht kreeg. Door in die omstandigheden tegen hem te zeggen: “zo, ga jij nu maar lekker vechten voor je leven”, of woorden van dergelijke aard of strekking, heeft bij [slachtoffer 2] naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk de reële vrees kunnen ontstaan dat de verdachte hem van het leven zou beroven.
Concluderend acht de rechtbank het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde bewezen.
Dagvaarding III
De rechtbank acht de ten laste gelegde opzetheling niet bewezen aangezien de verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de door hem gekochte fiets gestolen was en ook anderszins niet uit het dossier blijkt dat de verdachte wel over die wetenschap beschikte.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van schuldheling. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken omdat de prijs waarvoor de verdachte de fiets gekocht heeft (€ 150,-) niet onredelijk laag was gelet op het type en de staat van de fiets. Ook voor het overige zouden er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte moest weten dat sprake was van een gestolen fiets.
Bij schuldheling gaat het erom of de verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door een misdrijf was verkregen. Er is daarbij sprake van een zogenoemde onderzoeks- of vergewisplicht. Dat betekent dat de omstandigheden waaronder een goed wordt verkregen een onderzoeksplicht kunnen doen ontstaan naar de herkomst van dat goed. Als de verdachte daarin in ernstige mate tekort is geschoten, is sprake van de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke of grove onvoorzichtigheid. Daaruit kan dan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door een misdrijf is verkregen.
De verdachte heeft verklaard dat hij de fiets voor € 150,- met contant geld heeft gekocht van een hem onbekende man. Gelet op de algehele staat van de fiets was deze fiets naar het oordeel van de rechtbank duidelijk meer waard dan € 150,-. Deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien, hadden de verdachte tot meer voorzichtigheid moeten aansporen. Zij maken dat van hem mocht worden gevraagd dat hij onderzoek zou doen naar de herkomst van de fiets. Dat heeft de verdachte nagelaten. Nu de verdachte geen enkel onderzoek of navraag heeft gedaan, is hij tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht. De rechtbank is van oordeel dat er door de hiervoor weergegeven omstandigheden sprake is van schuldheling.
Concluderend acht de rechtbank het bij dagvaarding III ten laste gelegde bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/029100-26)
1
hij op 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] tegen de buik te schoppen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;
2
hij op 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] bij de kraag te pakken en vervolgens die kraag strak aan te trekken;
3
hij op 27 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] bij de kraag te pakken en vervolgens die kraag strak aan te trekken en daarbij aan hem de woorden toe te voegen: "Zo, ga jij nu maar lekker vechten voor je leven", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking;
Dagvaarding II (09/010453-26)
1
hij in de periode van 10 januari 2026 tot en met 11 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] te slaan in zijn nek en tegen zijn borst en in zijn vinger te bijten en op de grond met die [slachtoffer 3] te worstelen;
2
hij in de periode van 10 januari 2026 t/m 11 januari 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] (hard) bij haar pols vast te pakken en aan haar haren te trekken en op de grond met die [slachtoffer 4] te worstelen;
Dagvaarding III (09/142139-25)
hij omstreeks de periode 24 april 2025 tot en met 10 mei 2025 te Leiden enig goed voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 2 bewezen verklaarde feit op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van noodweerexces.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is allereerst een noodweersituatie vereist. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is daarvan geen sprake geweest. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten uitsluit, zodat hij strafbaar is.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat aan de verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan of korter dan het voorarrest dient te worden opgelegd. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen tbs-maatregel met dwangverpleging dient te worden opgelegd omdat niet voldaan is aan het gevaarscriterium en omdat dit niet in verhouding staat tot de bewezen verklaarde feiten. De raadsman heeft in het verlengde daarvan de rechtbank verzocht om ambtshalve een zorgmachtiging op te leggen aan de verdachte, dan wel de zaak aan te houden ten einde de mogelijkheden daartoe te onderzoeken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier mishandelingen en één bedreiging. Op 10 en 11 januari 2026 heeft de verdachte twee medewerkers van het [instelling] van Parnassia, de zorginstelling waar hij op dat moment verbleef, mishandeld. De verdachte heeft ten gevolge van een geringe aanleiding fors geweld gebruikt tegen deze twee zorgverleners die slechts hun werk deden. De verdachte heeft aan hen met zijn handelen nodeloos pijn en letsel toegebracht.
Op 27 januari 2026 verbleef de verdachte op de forensisch psychiatrische afdeling van Fivoor. De verdachte heeft daar wederom ten gevolge van een geringe aanleiding twee zorgverleners mishandeld en één van die zorgverleners bedreigd. Met zijn handelen heeft de verdachte aan hen nodeloos pijn en letsel toegebracht en de bedreigde zorgverlener gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd.
Dat het voornoemde geweld gericht was tegen zorgverleners die de verdachte slechts trachten te helpen weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Ook heeft de verdachte zich in 2025 schuldig gemaakt aan schuldheling, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitiarapportages, opgesteld door respectievelijk A.C. Hoek (15 april 2026), psychiater en drs. G.J.W. Pol (20 mei 2026), GZ-psycholoog. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 5 juni 2026. De rechtbank zal de rapporten hierna bespreken.
Rapport psychiater
Uit het rapport van de psychiater volgt dat bij de verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis (bipolaire type). De verdachte heeft al jaren last van stemmingsepisoden, die overwegend manisch van karakter zijn. Tijdens deze manische episoden doen zich ook denkstoornissen voor bij de verdachte die zich uiten in paranoïde wanen en grootheidswaanzin. Bij abstinentie en trouwe medicatie-inname verbetert het ziektebeeld van de verdachte. De verdachte neemt zijn medicatie echter niet trouw en ook is bij hem sprake van ernstige stoornissen in het gebruik van alcohol, cannabis, cocaïne en amfetamine. De psychiater heeft tevens antisociale trekken bij de verdachte vastgesteld, hij heeft een beperkte gewetensfunctie en houdt weinig rekening met anderen. De verdachte heeft voorts geen inzicht in zijn ziektebeeld.
De verdachte had volgens de psychiater ten tijde van het (bij dagvaarding I en II) ten laste gelegde geen volledige handelingsvrijheid meer. De hierboven beschreven psychiatrische problematiek heeft een beperkende en sturende invloed gehad op de gedragskeuzes van de verdachte. De verdachte voelde zich steeds benadeeld door de medewerkers van de zorginstellingen. Vanuit zijn problematiek heeft de verdachte geen adequate copingmechanismes om hiermee om te gaan, waardoor hij onvoldoende in staat is om zijn impulsen te beheersen en agressie te reguleren. Geadviseerd wordt door de psychiater om het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De psychiater schat het risico op gewelddadig gedrag op korte termijn in als matig-hoog en op lange termijn als hoog. Bij de verdachte is sprake van een, lastig te behandelen, ernstige psychiatrische aandoening en ernstige verslavingsproblematiek en het ontbreekt de verdachte aan ziekte-inzicht en intrinsieke motivatie voor behandeling. Volgens de psychiater resteert er gelet hierop geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging acht de psychiater niet passend gelet op de ernst van de problematiek en de onvoldoende inperking van het recidiverisico die daarvan te verwachten is.
Rapport psycholoog
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis (bipolaire type). In de afgelopen jaren is sprake geweest van manisch-psychotische decompressies, wat zich onder meer uit in een opgeblazen zelfbeeld, incoherentie, grootheidswaanzin, paranoïde wanen en agressie. Ook is sprake van stoornissen in het gebruik van cannabis, alcohol, amfetamine en cocaïne (zij het door de detentie in gedwongen remissie). Daarnaast acht de psycholoog het aannemelijk dat bij de verdachte sprake is van een beneden-gemiddeld niveau van intellectueel functioneren.
Geadviseerd wordt door de psycholoog om de (bij dagvaarding I en II) ten laste gelegde feiten (sterk) verminderd toe te rekenen. De psycholoog acht het aannemelijk dat de gedragskeuze-mogelijkheden van de verdachte werden beperkt door zijn psychische stoornissen.
De psycholoog schat de kans op herhaling van agressief delictgedrag in als hoog. Daartoe wordt gewezen op het zorgmijdende gedrag van de verdachte, zijn beperkte zelfreflectie en coping, de hierboven beschreven problematiek en zijn gebrekkige impulscontrole. Gelet op het voorgaande, het gebrek aan ziektebesef en de afwezigheid van intrinsieke motivatie voor een behandeling acht de psycholoog een behandeling in een voorwaardelijk kader niet haalbaar. De noodzakelijke zorg kan alleen worden geboden binnen een gedwongen kader in een forensisch-psychiatrische setting. Derhalve adviseert de psycholoog bij veroordeling aan de verdachte op te leggen een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Reclasseringsadvies
De reclassering onderschrijft in haar rapport van 5 juni 2026 de adviezen van de psychiater en de psycholoog. Zij is van mening dat de tbs-maatregel met dwangverpleging de beste optie is en acht een tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar.
De tbs-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het gedragskundig onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.
De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit de rapporten over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat het, in het bijzonder gelet op de ernstige, hardnekkige psychiatrische problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico en het gebrek aan inzicht in het eigen ziektebeeld, noodzakelijk is dat de verdachte een langdurige klinische behandeling zal ondergaan. Gelet op de adviezen, de ernstige problematiek van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte een zorgmachtiging had ten tijde van het ten laste gelegde acht de rechtbank een zorgmachtiging, of enig ander voorwaardelijk alternatief, niet haalbaar.
De rechtbank stelt voorts vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging. De bewezen verklaarde bedreiging is een misdrijf waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is, terwijl tijdens het begaan van dit feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank is voorts van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist, dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De bewezen verklaarde bedreiging heeft plaatsgehad op de forensisch psychiatrische afdeling van Fivoor. De verdachte heeft aldaar niet alleen één van de medewerkers van de kliniek bedreigd maar ook geweld tegen hem gebruikt. Zelfs in een dergelijke inrichting is het blijkbaar niet gelukt om het risico op geweld dat van de verdachte uitgaat voldoende in te dammen. Daarnaast schatten de deskundigen het risico op gewelddadig gedrag in als hoog.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde bedreiging gericht was tegen en gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Deze bedreiging bestond immers niet alleen uit het uiten van bepaalde woorden, maar ook uit gewelddadige handelingen tegen een persoon, te weten: het vastpakken en vervolgens straktrekken van de kraag van [slachtoffer 2] .
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat naast de maatregel van tbs – ter vergelding en normstelling – een straf dient te worden opgelegd. Van belang is dat de rechtbank, gelet op het advies van de deskundigen, het ten laste gelegde verminderd aan de verdachte toerekent.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 90 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Hierbij heeft de rechtbank gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet komt tot een bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 55, 57, 285, 300 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, onder 2 meer subsidiair en onder 3, de bij dagvaarding II onder 1 en 2 en de bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I onder 1:
mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding I onder 2:
mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding II onder 1:
mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding I onder 2 en 3:
de eendaadse samenloop van
mishandeling
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van dagvaarding III:
schuldheling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
90 (NEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de
terbeschikkingstellingvan de verdachte;
beveelt dat de ter beschikking gestelde
van overheidswege zal worden verpleegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. F. Bouman, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. N.T.G. Levelt en Ö. Aydin, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.