ECLI:NL:RBDHA:2026:19764
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, een minderjarige met de Soedanese nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat de overdracht aan Kroatië onevenredig hard zou zijn, verwijzend naar artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Tevens stelde hij dat het besluit in strijd is met het EVRM, de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank oordeelde dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren en dat eiser onvoldoende onderbouwing leverde voor zijn stellingen. De rechtbank vond geen reden om het besluit te vernietigen en verklaarde het beroep kennelijk ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 juli 2026. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en er staat geen rechtsmiddel open tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.