ECLI:NL:RBDHA:2026:19776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4657
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure met proceskostenvergoeding

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek van een asielzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening behandeld. De asielzoeker verzocht om niet uitgezet te worden gedurende de behandeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

De zitting vond plaats op 14 juli 2026, waarbij alleen de gemachtigde van de minister aanwezig was; de verzoeker en zijn gemachtigde waren afwezig. De voorzieningenrechter heeft het beroep van de verzoeker op dezelfde dag ongegrond verklaard, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was en daarom is afgewezen.

Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de bodemzaak is de minister veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de verzoeker. De proceskosten zijn vastgesteld op € 934,00, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt op 17 juli 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4657

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker tot het treffen van de voorlopige voorziening om gedurende de behandeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet te worden uitgezet.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 juli 2026 op zitting behandeld, samen met de behandeling van het beroep [1] . Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Verzoeker en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
3. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak, waarbij artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is toegepast, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,00 (één punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde van € 934,00 per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL26.4656.