ECLI:NL:RBDHA:2026:19779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
24/7281
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 Beleidsregel Kruimelgevallenbeleid HillegomArt. 2.12 WaboArt. 4 Bijlage II BorArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning hek Telesiastraat/Wilsonweg Hillegom

Eiseres maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Hillegom van rechtswege verleende voor het plaatsen van een hek tussen de Telesiastraat en de Wilsonweg. De rechtbank beoordeelde of het college het besluit in redelijkheid kon nemen, met name of het bouwplan getoetst was aan het Kruimelgevallenbeleid, het mobiliteitsplan en het bestemmingsplan.

De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat het college niet tijdig had onderbouwd dat het bouwplan voldeed aan de criteria van het Kruimelgevallenbeleid. Dit gebrek werd echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat het college in de beroepsprocedure alsnog voldoende motivering gaf en eiseres hierop kon reageren.

Verder oordeelde de rechtbank dat het bouwplan binnen het mobiliteitsplan paste, dat het stedenbouwkundig plan geen bindende toetsingsgrond was, dat geen door het college uitgewerkt plan vereist was, en dat geen verkeersbesluit nodig was. Ook was het niet nodig eiseres opnieuw te horen over de ruimtelijke onderbouwing. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens het motiveringsgebrek.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het hek wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

hersteluitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7281

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. W. Visser)
en
het college van burgemeester en wethouders van Hillegom, het college (gemachtigden: J. van Gils en M. van Gelswijk).

Procesverloop

1. Vergunninghoudster AM bv heeft op 11 april 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een hek tussen de Telesiastraat en de Wilsonweg in Hillegom. Op 16 juni 2023 stuurde het college een bekendmaking aan vergunninghoudster, waarin stond dat de vergunning van rechtswege was verleend omdat het college niet binnen acht weken op de aanvraag had beslist. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
1.1.
Eiseres heeft op 4 september 2024 beroep ingesteld en de beroepsgronden op 3 oktober 2024 en 1 september 2025 aangevuld. Het college heeft op 20 februari 2025 gereageerd met een verweerschrift en dit op 19 september 2025 aangevuld. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college deelgenomen.

Toetsingskader

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 april 2023. In dit geval blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.
2.1.
Op de locatie is het bestemmingsplan 'Elsbroek' van toepassing. Op grond daarvan heeft de grond de bestemmingen 'Wonen - Uit te werken 1' en
'Waarde - Archeologie 3'.
2. 2. De verdere voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het college het betreden besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen.
Is het bouwplan getoetst aan het Kruimelgevallenbeleid?
4. Volgens eiseres berust het bestreden besluit, ook met de in opdracht van het college opgestelde ruimtelijke onderbouwing van 18 juli 2024, niet op een deugdelijke motivering. De aanvraag voor de omgevingsvergunning moest worden getoetst aan de aspecten uit artikel 5.1 van de Beleidsregel Kruimelgevallenbeleid Hillegom. Het college moest in ieder geval onderbouwen dat a} het plan vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar was, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap, cultuurhistorie en stedenbouw; b} het plan niet gepaard mocht gaan met een verslechtering van de extensieve recreatieve mogelijkheden; en c} er een zorgvuldige dialoog met belanghebbenden was gevoerd. Volgens eiseres gaat de ruimtelijke onderbouwing niet in op wat vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar was, gaat het bouwplan gepaard met een verslechtering van extensieve recreatieve mogelijkheden omdat het hek een belemmering vormt voor het maken van ommetjes of ander recreatief gebruik van de openbare ruimte en is de dialoog met omwonenden niet gevoerd.
4 .1. Het college stelt dat het bouwplan past binnen de door eiseres genoemde criteria van artikel 5.1 van het Kruimelgevallenbeleid. Voor wat betreft natuur, landschap, cultuurhistorie en stedenbouw stelt het college dat de locatie aan de Wilsonweg een parkeerterrein is, waar deze factoren niet relevant zijn. Hierbij wijst het college op foto's van de Wilsonweg waarop een straat, geparkeerde auto's, woningen en bedrijfspanden te zien zijn. Ook is er volgens het college met de afsluiting van de Wilsonweg door het hek geen beperking van extensieve recreatieve mogelijkheden omdat de Wilsonweg niet is ingericht als locatie voor ommetjes. Er zijn geen verhoogde trottoirs of fietssuggestiestroken, het uitzicht bestaat uit de voorkant van bedrijfspanden en garagedeuren van woningen en de straat komt uit op de provinciale weg. Er zijn bovendien geschiktere alternatieven voor ommetjes, zoals de Vincent van Goghsingel en de nieuwe speeltuin aan de noordzijde van de Telesiastraat. Voor wat betreft de zorgvuldige dialoog met belanghebbenden stelt het college dat de komst van het hek via verschillende wegen is besproken met omwonenden van de Telesiastraat en de Wilsonweg. Zo zijn de bewoners aan de Telesiastraat via de projectontwikkelaar van hun woning ingelicht en heeft de gemeente een online bijeenkomst georganiseerd, waarna op basis van feedback van de deelnemers het plan is aangepast.
4.2.
Bij een aanvraag voor een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, zoals de aanvraag in deze zaak, kan het college een vergunning verlenen. Een dergelijke afwijkingsmogelijkheid biedt artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo. Met die bepaling wordt verwezen naar de daartoe aangewezen uitzonderingsgevallen in artikel 4 van Pro bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor}. Voor de beoordeling van dergelijke 'kruimelgevallen' heeft het college het Kruimelgevallenbeleid Hillegom vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan diende te worden beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 5 van het kruimelgevallenbeleid (getiteld 'maatwerkbeoordelingen'}. Wél in geschil is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan de door eiseres genoemde aspecten uit artikel 5.1.
4.3.
De omgevingsvergunning voor het hek is van rechtswege verleend. In de bekendmaking van de omgevingsvergunning heeft het college niet onderbouwd dat het bouwplan aansluit bij de door eiseres genoemde punten uit artikel 5.1 van het kruimelgevallenbeleid. Ook in de ruimtelijke onderbouwing en het bestreden besluit zijn deze aspecten niet behandeld, hoewel de Commissie Bezwaren en Klachten het college had geadviseerd bij bezwaar alsnog de criteria van hoofdstuk 5 van het kruimelgevallenbeleid na te lopen.1 Pas in de beroepsprocedure heeft het college, met hetgeen is beschreven onder 4.1, uitgelegd waarom het bouwplan in overeenstemming is met deze aspecten van het Kruimelgevallenbeleid. Naar het oordeel van de rechtbank was bij het bestreden besluit dan ook sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat het college tot dan toe niet had uitgelegd dat het bouwplan aansluit bij dit deel van het kruimelgevallenbeleid.
4.4.
De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiseres niet door dit gebrek wordt benadeeld. In de beroepsprocedure heeft het college, mede op basis van hetgeen is besproken tijdens de bezwaarfase, onderbouwd waarom de vergunning kon worden verleend in overeenstemming met de door eiseres genoemde aspecten uit artikel 5.1 van het Kruimelgevallenbeleid. Eiseres heeft op deze onderbouwing kunnen reageren. Het college heeft alsnog voldoende gemotiveerd waarom, rekening houdend met de criteria uit het kruimelgevallenbeleid, de vergunning voor het hek in stand is gelaten. Het college mocht zich daarbij op het standpunt stellen dat het bouwplan voldoet aan het gemeentelijk beleid.
4.5.
Eiseres heeft dus weliswaar terecht betoogd dat de bij bezwaar gegeven motivering ontoereikend was voor wat betreft de genoemde aspecten van het kruimelgevallenbeleid, maar tot het daarmee door eiseres verhoopte resultaat (namelijk dat het besluit wordt vernietigd) kan dat betoog niet leiden. Het college heeft in de beroepsprocedure zijn motivering aangevuld met hetgeen is opgenomen onder 4.1. Het college gaat daarbij in op de door eiseres genoemde criteria en legt uit waarom het bouwplan daaronder is toegestaan. De aangevulde motivering acht de rechtbank toereikend.
Sluit het bouwplan aan bij het mobiliteitsplan?
5. Volgens eiseres heeft het college onvoldoende onderbouwd dat het bouwplan op het gebied van verkeersveiligheid, verkeersbewegingen, duurzame vervoerswijzen en parkeren past binnen het Mobiliteitsplan en Uitvoeringsprogramma van gemeente Hillegom (het mobiliteitsplan). De Wilsonweg is een straat waar automobilisten te gast zijn en voetgangers en fietsers op de eerste plaats staan. Ook heeft het college niet gemotiveerd, bijvoorbeeld met tellingen, dat er veel vrachtverkeer op de Wilsonweg komt.
5.1.
Het college stelt dat het hek de veiligheid van kwetsbare verkeersdeelnemers juist versterkt door de toegang tot de Wilsonweg te beperken. Er is geen verhoogd trottoir of fietssuggestiestrook op de Wilsonweg waardoor verkeersdeelnemers, met name kinderen, de weg op zouden kunnen schieten. Dit leidt tot een onveilige en onoverzichtelijke situatie omdat het gaat om een weg met bedrijven en vrachtverkeer, waarvan het uiteinde aan de kant van de Telesiastraat is ingericht als keerlus.
5.2.
Uit de speerpunten van het mobiliteitsplan blijkt dat (onder andere) wordt ingezet op het verbeteren van de verkeersveiligheid en het prioriteren van wandelaars en fietsers boven automobilisten.1 Het college heeft onderbouwd dat de plaatsing van het hek is vergund om de verkeersbewegingen van voetgangers, fietsers en automobilisten tussen de Telesiastraat en de Wilsonweg te scheiden. Zwakkere verkeersdeelnemers worden
volgens het college met de plaatsing van het hek beter beschermd en deze ontwikkeling past binnen de ambities van het college zoals uiteengezet in het mobiliteitsplan. Het college heeft zijn afwegingen op dit gebied in redelijkheid kunnen maken.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moest het bouwplan worden getoetst aan het stedenbouwkundig plan?
6. Volgens eiseres is het hek in strijd met het Stedenbouwkundig Plan & Inrichtingsplan Elzenhof Hillegom van 31 mei 2021. In dit plan staat namelijk geen hek op de bouwplanlocatie.
6.1.
Het document 'Definitief Ontwerp Stedenbouwkundig Plan & Inrichtingsplan Elzenhof Hillegom' van 31 mei 2021 is in opdracht van vergunninghouder opgesteld door architectenbureau INBO en is gebruikt bij de ontwikkeling van de wijk Elsbroek-Zuid. Op de overzichtskaarten in het plan is geen hek te zien op de bouwplanlocatie. Het document is echter op zichzelf geen wet- of regelgeving waar het college aan had moeten toetsen bij het bestreden besluit. In zoverre faalt het betoog van eiseres.
6.2.
Op de bouwplanlocatie geldt sinds 12 oktober 2021 de omgevingsvergunning 'Elzenhof, deelgebied C'. De toelichting bij deze vergunning is de 'Ruimtelijke onderbouwing plan Elzenhof, deelgebied C, Hillegom'. Het door eiseres genoemde stedenbouwkundig plan is gebruikt als basis voor deze ruimtelijke onderbouwing.;i Voor zover eiseres stelt dat het hek ook binnen dit plan niet is voorzien stelt de rechtbank vast dat in dit plan geen hek was ingetekend op de bouwplanlocatied Dat het hek niet was voorzien in bovenstaande plannen betekent echter niet dat het college na het verlenen van de omgevingsvergunning 'Elzenhof, deelgebied C' geen verdere omgevingsvergunningen mocht verlenen in het gebied. De omgevingsvergunning voor het hek is afzonderlijk gemotiveerd en het college heeft onderbouwd waarom in dit geval gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Dat het hek niet was ingetekend in bovengenoemde plannen stond dus niet in de weg aan het bestreden besluit.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was een door het college uitgewerkt plan vereist?
7. Volgens eiseres is geen door burgemeester en wethouders uitgewerkt plan op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgesteld, hoewel dat volgens artikel 15.3.1 van het bestemmingsplan is vereist.
7.1.
Volgens het college is artikel 15.3.1 van het bestemmingsplan in dit geval niet van toepassing, omdat gebruik is gemaakt van de bevoegdheid af te wijken van het bestemmingsplan.
. 2. Artikel 15.3.1 van het bestemmingsplan is getiteld 'bouwverbod' en luidt: "het bouwen van bouwwerken is uitsluitend toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders uitgewerkt plan ex artikel 3.6 Wro dat in werking is getreden." In dit geval is er geen dergelijk plan vastgesteld en was het bouwen in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid een omgevingsvergunning te verlenen om bouwen in strijd met het bestemmingsplan toe te staan.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was een verkeersbesluit vereist?
8. Volgens eiser was voor het plaatsen van het hek een verkeersbesluit vereist, omdat het pad voor langzaam verkeer na het plaatsen van het hek alleen toegankelijk is voor nooddiensten. Een dergelijk besluit ontbreekt.
8.1.
Volgens het college was een verkeersbesluit niet nodig, omdat er jarenlang een hek op de bouwplanlocatie stond en er geen (voet)pad ligt vanaf de Telesiastraat richting de Wilsonweg.
8.2.
Artikel 15 van Pro de Wegenverkeerswet vereist een verkeersbesluit bij maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg, of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Deze verplichting aan het college, in zijn taak als wegbeheerder, staat los van de aanvraag- en bezwaarprocedure bij een omgevingsvergunning en is dan ook niet doorslaggevend voor de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning en het bestreden besluit in deze zaak.
8.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college eiseres nogmaals moeten horen over de ruimtelijke onderbouwing?
9. Volgens eiseres is de 'Ruimtelijke onderbouwing hek Telesiastraat/Wilsonweg Hillegom' van 18 juli 2024 een stuk dat van aanmerkelijk belang is geweest voor het nemen van het bestreden besluit. Daarom had eiseres alsnog in de gelegenheid moeten worden gesteld te worden gehoord over het stuk.
9.1.
Volgens het college is de ruimtelijke onderbouwing een nadere uitwerking van bestaande beleidskaders en staan in het stuk geen nieuwe feiten of juridische gronden die niet al eerder in de bezwaarprocedure aan de orde werden gesteld.
9.2.
Artikel 7:9 van Pro de Awb bepaalt dat wanneer na het horen in de bezwaarprocedure aan het college feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang konden zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.
9.3.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft op 13 februari 2024 de hoorzitting van de adviescommissie plaatsgevonden. De commissie heeft op 13 maart 2024 advies uitgebracht waarin stond dat de vergunningsaanvraag betrekking had op een geval dat niet vermeld wordt in artikel 4.3 van het Kruimelgevallenbeleid Hillegom en dat het college daarom bij het bestreden besluit moest beoordelen of werd voldaan aan de criteria van hoofdstuk 5 van het Kruimelgevallenbeleid. Ter uitvoering daarvan heeft het college vervolgens de ruimtelijke onderbouwing van 18 juli 2024 laten opstellen.
9.4.
Hoewel de ruimtelijke onderbouwing bekend werd ná de hoorzitting, bevatte het geen informatie die tot dan toe onbekend was voor het college of eiseres. In het stuk werd de aanleiding voor het plaatsen van het hek, het (ongewijzigde) bouwplan en de omgeving van de bouwplanlocatie beschreven. Ook werd omschreven dat het bouwplan uitvoerbaar was met het oog op de aspecten verkeer en veiligheid. Deze informatie was, ook blijkens het verslag van de hoorzitting, bekend tijdens de bezwaarprocedure en eiseres heeft er toen op kunnen reageren.
9.5.
De ruimtelijke onderbouwing kan, gelet op het bovenstaande, niet worden aangemerkt als feit dat of omstandigheid die na het horen bekend werd en voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kon zijn. Eiseres hoefde dan ook niet nogmaals over het stuk te worden gehoord.
9.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10.1.
Omdat de rechtbank een motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft vastgesteld, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Die vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-).

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt het college tot vergoeding van de bij eiseres opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-; en
bepaalt dat het college aan eiseres het betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 23 december 2025. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op 20 juli 2026.
Een afschrift van deze hersteluitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze hersteluitspraak staat geen hoger beroep open. De hoger beroepstermijn tegen de herstelde uitspraak blijft ongewijzigd.