ECLI:NL:RBDHA:2026:19783

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706866 / KG ZA 26-630
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 SvArt. 223 RvArt. 94 SvBesluit inbeslaggenomen voorwerpen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op vervreemding van ernstig zieke hond in afwachting strafzaak

In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat de Staat wordt verboden zijn hond te vervreemden totdat de inhoudelijke strafzaak tegen hem is afgerond. De hond, een Franse Bulldog, is ernstig ziek en sinds april 2026 in beslag genomen vanwege vermoedelijke verwaarlozing. De officier van justitie had een machtiging tot vervreemding afgegeven, maar eiser betwist dat hij de hond onvoldoende zorg heeft gegeven en stelt dat de medische diagnose nog onduidelijk is.

De voorzieningenrechter overweegt dat het OM een ruime beleidsvrijheid heeft bij het verlenen van machtigingen tot vervreemding, maar dat dit slechts marginaal getoetst kan worden. Gezien het feit dat het hier gaat om een levend en onvervangbaar dier, en dat de vervreemding onomkeerbaar is, moet de belangenafweging zorgvuldig plaatsvinden. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij steeds bereid was goed voor de hond te zorgen en dat de medische situatie complex is.

De rechter concludeert dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot de beslissing tot vervreemding heeft kunnen komen, mede omdat nog niet duidelijk is of eiser strafrechtelijk zal worden vervolgd en de hond beschikbaar moet blijven voor eventueel nader onderzoek. Daarom wordt de Staat verboden de hond te vervreemden tot de strafzaak is afgerond, met de bepaling dat de hond aan eiser wordt teruggegeven als het OM niet tot vervolging overgaat.

Uitkomst: De Staat wordt verboden de hond te vervreemden tot de strafzaak is afgerond en moet de hond teruggeven als geen vervolging plaatsvindt.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706866 / KG ZA 26-630
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. J. Biemond te Den Haag,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID/DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2026;
- de op 19 juni 2026 door mr. Biemond ingediende vordering op de voet van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), hierna ‘de provisionele vordering’, strekkende tot bepaling dat de Staat de hond [naam] (hierna ook ‘ [naam] ’) tot de datum van het vonnis in deze kortgedingprocedure niet mag vervreemden;
- de door de advocaat van de Staat ingediende schriftelijke reactie op de provisionele vordering, strekkende tot afwijzing daarvan;
- de producties 1 en 2 van de zijde van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7;
- de brief aan mr. Biemond van 2 juli 2026, waarin hem namens de voorzieningenrechter wordt verzocht om de volledige tekst van de producties 1 en 2 te uploaden, omdat in de ingediende producties 1 en 2 tekst ontbreekt/zinnen niet doorlopen;
- het op 2 juli 2026 ingediende bericht van mr. Biemond, waarin hij meedeelt dat hij wacht op een beslissing op de provisionele vordering;
- de op 3 juli 2026 door mr. Biemond ingediende producties 1 tot en met 8;
- de brief van 3 juli 2026, waarin namens de voorzieningenrechter aan de advocaten van partijen wordt meegedeeld dat de provisionele vordering tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding zal worden besproken;
- de door de Staat overgelegde productie 8.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 7 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
1.4.
Bij vonnis van 8 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter de provisionele vordering van [eiser] toegewezen en bepaald dat de Staat [naam] in de periode tot aan het wijzen van dit vonnis niet mag vervreemden.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is eigenaar van [naam] , een Franse Bulldog, die volgens [eiser] is geboren op [geboortedatum] 2018.
2.2.
[naam] was in 2026 onder behandeling bij ‘ [dierenarts] ’ (‘de dierenarts’). Op 9 maart 2026 heeft de partner van [eiser] de dierenarts met [naam] bezocht omdat [naam] diarree had met bloed en braakte. De dierenarts heeft meegedeeld dat [naam] veel moet aankomen en heeft het gebruik van iso-gel voorgeschreven. Verder heeft de dierenarts geadviseerd om nader (bloed)onderzoek te laten doen, omdat [naam] ernstig ziek is en het onderliggende probleem onbekend is. Daarbij heeft de dierenarts erop gewezen dat [naam] dood kan gaan. Uit het verslag van de dierenarts blijkt dat de partner van [eiser] kenbaar heeft gemaakt het nadere onderzoek door een dierenarts in Polen te willen laten uitvoeren.
2.3.
Op 9 april 2026 is bij de politie een melding binnengekomen naar aanleiding van een bezoek van een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming aan de woning van [eiser] , waarbij zij heeft geconstateerd dat [naam] een gezwel had en ernstig vermagerd was. Op 10 april 2026 heeft de politie de woning van [eiser] bezocht en daar geconstateerd dat [naam] sterk vermagerd was en naar ontlasting rook. De partner van [eiser] verklaarde tijdens dat bezoek dat [eiser] [naam] de week erna zou meenemen naar Polen voor verdere behandeling en dat op 11 april 2026 een afspraak gepland stond bij de dierenarts. De dierenarts heeft die afspraak desgevraagd telefonisch aan de politie bevestigd en haar verbazing uitgesproken dat [naam] , ondanks het uitblijven van behandeling, nog in leven was.
2.4.
Op 11 april 2026 zijn [eiser] en zijn partner met [naam] bij de dierenarts geweest. Daar is onder meer bloedonderzoek gedaan, waaruit een vermoeden van ‘
proteïn losing enteropathie’ is gebleken. De dierenarts heeft meegedeeld dat een echo moet worden gemaakt en dat onderzoek aan de ontlasting van [naam] moet worden gedaan om de oorzaak te achterhalen. [eiser] en zijn partner hebben te kennen gegeven dat zij de verdere behandeling in Polen willen laten uitvoeren. De dierenarts heeft opnieuw toegelicht dat [naam] aan zijn aandoening kan overlijden. [eiser] en zijn partner hebben ermee ingestemd dat al wel zal worden gestart met het toedienen van antibiotica aan [naam] en zij hebben meegedeeld dat zij de aanvullende onderzoeken zo snel mogelijk zullen laten uitvoeren.
2.5.
Op 17 april 2026 heeft de politie opnieuw contact opgenomen met de dierenarts, die benadrukte dat [naam] zo snel mogelijk behandeld moet worden en dat [eiser] slechts het minimale doet om [naam] te behandelen. Hierop is [naam] , met toestemming van de officier van justitie, in beslag genomen op de voet van artikel 94 Strafvordering Pro (Sv). Vervolgens is [naam] overgebracht naar de opslaghouder.
2.6.
De dierenarts in de opslag heeft op 18 april 2026 een ‘Medische verklaring binnenkomst’ met betrekking tot [naam] opgesteld. Daarin is (samengevat en voor zover hier van belang) vermeld dat [naam] zwaar ondervoed is (score 1/9 op de Body Conditioning Score), dat het dier om in die toestand te komen een periode heeft doorgemaakt waarin zijn welzijn ernstig is geschaad en dat zal worden geprobeerd om hem met kleine beetjes licht verteerbare voeding te laten aansterken. Verder is vermeld dat er geen andere in het oog springende (klinische) afwijkingen zijn gevonden.
2.7.
Bij brief van 20 april 2026 heeft het Openbaar Ministerie (OM) aan [eiser] meegedeeld voornemens te zijn om [naam] op grond van artikel 117 lid 2 Sv Pro te vervreemden (definitief onder te brengen/te plaatsen bij een andere verzorger).
2.8.
[eiser] heeft een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van [naam] . De enkelvoudige raadkamer in strafzaken van deze rechtbank (de strafrechter) heeft het beklag bij beslissing van 22 mei 2026 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de strafrechter overwogen dat tegen [eiser] een verdenking is gerezen dat hij zijn hond [naam] de nodige zorg heeft onthouden, dat in de strafzaak nog onderzoek plaatsvindt gelet op het voornemen tot vervreemding en dat daarom nog een belang van strafvordering aanwezig is bij het voortduren van het beslag.
2.9.
[eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beslissing van de strafrechter. De advocaat van [eiser] heeft de officier van justitie verzocht om [naam] niet te vervreemden tot er een besluit is genomen over het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van [eiser] . De officier van justitie heeft dit verzoek in een e-mailbericht van 1 juni 2026 afgewezen vanwege het belang van het welzijn van [naam] en de kosten die langdurige opslag van [naam] met zich meebrengt.
2.10.
In de periode van 20 april 2026 tot en met 10 juni 2026 heeft de dierenarts in de opslag met betrekking tot [naam] diverse medische verklaringen opgesteld, waarbij ook de voorgestelde behandeling is vermeld. De behandeling was daarbij gericht op het laten aansterken van [naam] en het stoppen van de diarree. Er is verder onderzoek aan de ontlasting verricht, waaruit geen diagnose kon worden gesteld. Uit het verslag van 6 juni 2026 blijkt dat bloedonderzoek is gedaan, waarbij is geconstateerd dat er een ontsteking in de buik van [naam] aanwezig is, waarschijnlijk pancreatitis. In het verslag van 10 juni 2026 is vermeld dat sprake is geweest van een terugval in de diarreeklachten, omdat [naam] iets verkeerds gegeten heeft.
2.11.
[eiser] is op 28 mei 2026 als verdachte gehoord door de politie. Er is nog geen beslissing genomen om [eiser] te vervolgen voor het onthouden van zorg aan [naam] .
2.12.
De advocaat van [eiser] heeft op 10 juni 2026 aan de Staat aangekondigd dat hij namens [eiser] een kort geding aanhangig zal maken om [naam] terug te krijgen. Daarbij is de Staat verzocht de uitspraak in het kort geding af te wachten en niet tot vervreemding van [naam] over te gaan. Bij brief van 19 juni 2026 heeft de advocaat van de Staat aan de advocaat van [eiser] meegedeeld daartoe geen aanleiding te zien.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert de Staat te verbieden om [naam] te herplaatsen/vervreemden tot de inhoudelijke strafzaak tegen [eiser] , met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. De beslissing van de officier van justitie om [naam] te herplaatsen/vervreemden is voorbarig. [eiser] betwist dat hij [naam] de nodige zorg heeft onthouden of hem heeft verwaarloosd. Op dit moment is nog onduidelijk of [eiser] strafrechtelijk zal worden vervolgd voor het onthouden van zorg aan [naam] . Verder is met betrekking tot [naam] , die zich sinds 17 april 2026 in opslag bevindt, nog altijd geen medische diagnose gesteld. Daarmee staat niet vast dat [naam] ziek is en evenmin dat [eiser] strafrechtelijk kan worden verweten dat hij [naam] heeft verwaarloosd. [eiser] heeft er daarom belang bij om zijn handelen ten opzichte van [naam] te laten beoordelen door de strafrechter. Mede in het kader van de waarheidsvinding in de strafzaak is het daarbij nodig dat [naam] beschikbaar blijft voor eventueel nader onderzoek. Het voornemen om [naam] te vervreemden maakt daarnaast inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] .
3.3.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid
4.1.
[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat ten opzichte van hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.
Spoedeisend belang
4.2.
Het door [eiser] gevorderde verbod ziet op het door de Staat aangekondigde vervreemden/herplaatsen van [naam] . Een herplaatsing is onomkeerbaar en heeft een definitief karakter. Indien vervreemden/herplaatsen naar het oordeel van de Staat niet tijdig kan worden gerealiseerd, houdt de beslissing tot vervreemden/herplaatsen ook in dat kan worden besloten [naam] te euthanaseren. Hierin ligt het spoedeisend belang van [eiser] besloten.
Juridisch kader
4.3.
Hoewel dieren geen zaken zijn, zijn de wettelijke bepalingen met betrekking tot zaken, en daarmee de wettelijke bepalingen met betrekking tot goederen, wel op dieren van toepassing.
4.4.
Op grond van artikel 117 Sv Pro is het OM bevoegd om, voorafgaand aan een beslissing in een strafzaak over inbeslaggenomen goederen, onder voorwaarden over te gaan tot vervreemding of vernietiging van die goederen. Dit is mogelijk als de in beslag genomen goederen niet geschikt zijn voor opslag, de kosten van bewaring niet in redelijke verhouding tot de waarde van de goederen staan, dan wel de goederen vervangbaar zijn en de tegenwaarde eenvoudig kan worden bepaald.
4.5.
Het OM komt een ruime beleidsvrijheid toe bij het wel of niet tussentijds verlenen van een machtiging tot vervreemding of vernietiging van inbeslaggenomen zaken in de zin van artikel 117 Sv Pro. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de afgifte van een machtiging in de zin van artikel 117 Sv Pro niet vooraf door een rechter te laten toetsen. De ruime beleidsvrijheid die het OM heeft, brengt mee dat de burgerlijke rechter de toepassing van die bevoegdheid slechts marginaal kan toetsen. Ingrijpen door de burgerlijke rechter kan alleen aan de orde zijn als de officier van justitie, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing om een machtiging in de zin van artikel 117 Sv Pro af te geven. In deze belangenafweging moet worden meegenomen dat het hier gaat om een levend dier, dat de machtiging tot vervreemding onomkeerbaar is en dat de hond onvervangbaar is.
Heeft het OM in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen
4.6.
De Staat heeft ter onderbouwing van zijn standpunt over de beslissing tot het verlenen van de machtiging tot vervreemding/herplaatsing van [naam] verwezen naar (de Nota van toelichting op) artikel 10, tweede lid, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen. Hieruit volgt, kort gezegd, dat het OM tot uitgangspunt neemt dat het in geval van levende dieren, zowel vanuit het oogpunt van het belang van het dier als vanwege de met bewaring gepaard gaande kosten, wenselijk is dat zo snel mogelijk een beslissing wordt genomen over de uiteindelijke bestemming, zeker als voldoende duidelijk is dat de beslagene niet in aanmerking komt voor teruggave. Dit is een uitgangspunt dat het OM, in het algemeen, in redelijkheid kan innemen.
4.7.
[eiser] wil [naam] graag terugkrijgen. Dit kan niet meer als [naam] is vervreemd. [eiser] heeft (overigens onweersproken) gesteld dat hij in het verleden vaak met [naam] naar de dierenarts geweest. [eiser] heeft in dit verband stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij [naam] in 2025 door een dierenarts in Nederland heeft laten behandelen, waarvoor hij een rekening heeft gekregen van ongeveer € 10.000. Verder heeft hij tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding toegelicht dat hij met [naam] bij dierenartsen in Tsjechië en Polen is geweest. Daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat bij hem steeds de bereidheid heeft bestaan om goed voor [naam] te zorgen en daarvoor ook kosten te maken, als dat noodzakelijk is.
4.8.
Vast staat dat de partner van [eiser] op 9 maart 2026 met [naam] bij de dierenarts is geweest. De dierenarts heeft tijdens dit bezoek er op gewezen dat [naam] ernstig ziek is en kan komen te overlijden en heeft geadviseerd om nader (bloed)onderzoek te laten doen. Verder staat vast dat [eiser] op 11 april 2026 opnieuw met [naam] bij de dierenarts is geweest. Die afspraak was al gemaakt op het moment dat de politie op 10 april 2026 voor het eerst de woning van [eiser] heeft bezocht. Voor zover de dierenarts er tegenover de politie haar verbazing over heeft uitgesproken dat [naam] op 11 april 2026 nog in leven was, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat dat het gevolg is van de omstandigheid dat [eiser] in de tussenliggende periode goed voor de zieke [naam] heeft gezorgd.
4.9.
Op 11 april 2026 heeft de dierenarts opnieuw geadviseerd om nader onderzoek met betrekking tot de klachten van [naam] te laten uitvoeren om de oorzaak daarvan vast te stellen. Hoewel [eiser] aan de dierenarts kenbaar heeft gemaakt die onderzoeken in Polen te willen laten verrichten, heeft hij er op advies van de dierenarts wel mee ingestemd dat [naam] alvast zou starten met een antibioticumkuur. Volgens de dierenarts was dat de minimale zorg die nodig was voor [naam] en die [eiser] op dat moment dus ook heeft gegeven.
4.10.
De Staat heeft niet betwist dat [eiser] het voornemen had om [naam] in de week volgend op het bezoek aan de dierenarts op 11 april 2026 mee te nemen naar Polen voor nader onderzoek. Aan dit voornemen heeft hij echter geen uitvoering kunnen geven, omdat [naam] op 17 april 2026 door de politie in beslag is genomen. De Staat heeft evenmin betwist dat nog altijd niet duidelijk is wat de oorzaak is van de kwaal van [naam] , hoewel [naam] inmiddels ook al diverse keren door de dierenarts in de opslag is onderzocht. Op 10 juni 2026 was nog sprake van diarree klachten. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat het stellen van een diagnose bij [naam] kennelijk complex is en dat nog altijd niet duidelijk is welke behandeling [naam] kan genezen.
4.11.
Het is nog niet duidelijk of en wanneer [eiser] strafrechtelijk zal worden vervolgd, waardoor nog niet vast staat dat een strafrechter nog een oordeel zal geven over verbeurdverklaring van [naam] . Wel heeft de strafrechter in de klachtprocedure geoordeeld dat het beslag noodzakelijk is in het kader van de waarheidsvinding. Een onderzoek naar de waarheid kan echter niet meer plaatsvinden als [naam] herplaatst is.
4.12.
De Staat heeft niet toegelicht waarom voldoende duidelijk is dat [eiser] niet in aanmerking komt voor teruggave van [naam] . Gelet op hetgeen de voorzieningenrechter onder 4.7. tot en met 4.11. heeft overwogen, had dat wel op zijn weg gelegen. In de klachtprocedure heeft de strafrechter ook niet overwogen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [naam] aan [eiser] zal worden teruggegeven.
4.13.
De Staat heeft nog in zijn algemeenheid aangevoerd dat het schadelijk is voor het welzijn van dieren om langdurig in de opslag te verblijven. De Staat heeft daarbij met name gewezen op gezondheids- en gedragsproblemen, maar hij heeft dit niet op [naam] toegespitst. Dit had wel op zijn weg geleden, gelet op de al aanwezige gezondheidsklachten en het verder ontbreken van aanwijzingen dat sprake is van gedragsproblemen bij [naam] .
4.14.
Onder de hiervoor beschreven bijzondere omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de officier van justitie, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing om een machtiging in de zin van artikel 117 Sv Pro af te geven.
4.15.
Het voorgaande betekent dat het de Staat onder de huidige omstandigheden moet worden verboden om [naam] te vervreemden tot de inhoudelijke strafzaak tegen [eiser] . De daartoe strekkende vordering wordt daarom toegewezen. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is of [eiser] daadwerkelijk zal worden vervolgd vanwege verwaarlozing van [naam] zal aanvullend worden bepaald dat [naam] aan [eiser] moet worden teruggegeven, zodra duidelijk wordt dat het OM niet zal overgaan tot (verdere) vervolging van [eiser] .
Proceskosten
4.16.
De Staat is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
€ 189,00
(plus de in de beslissing vermelde verhoging)
Totaal
1.858,94

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt de Staat om de hond [naam] te herplaatsen/vervreemden tot de inhoudelijke strafzaak tegen [eiser] en bepaalt dat [naam] aan [eiser] moet worden teruggeven zodra duidelijk wordt dat het OM niet zal overgaan tot (verdere) vervolging van [eiser] voor het onthouden van zorg aan [naam] ;
5.2.
veroordeelt de Staat in de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] zijn begroot op € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Staat € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
mvt