ECLI:NL:RBDHA:2026:19793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706084 / KG ZA 26-568
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BWArt. 2:15 BWArt. 6 lid 4 StatutenArt. 7 lid 4 StatutenArt. 11 lid 8 Huishoudelijk Reglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming volkstuin na opzegging lidmaatschap wegens achterstallig onderhoud

De zaak betreft een kort geding tussen een volkstuinvereniging en een lid dat zijn tuin niet naar behoren onderhoudt. De vereniging heeft het lidmaatschap van gedaagde rechtsgeldig opgezegd wegens herhaaldelijke nalatigheid in onderhoud, ondanks meerdere waarschuwingen en inspectierapporten over de jaren 2023 tot 2025.

Gedaagde heeft de gebreken en de inspectierapporten betwist, maar onvoldoende gemotiveerd en heeft niet voldaan aan de opgelegde hersteltermijnen. De vereniging heeft het lidmaatschap beëindigd per 31 december 2025 en vordert ontruiming van de tuin inclusief bouwsels, met een dwangsom bij niet-naleving.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is vanwege de wachtlijst voor tuinen en de verslechterende staat van onderhoud. Het bestuursbesluit tot opzegging is in overeenstemming met de statuten en het huishoudelijk reglement. Het beroep van gedaagde bij de ALV wordt buiten beschouwing gelaten omdat de statuten beroep uitsluiten.

De vordering tot ontruiming wordt toegewezen, met een dwangsom van €500 per dag tot een maximum van €20.000. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. De financiële afwikkeling van de bouwsels zal in de bodemprocedure worden geregeld.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de tuin binnen één week na betekening en betaling van een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel - voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: C/09/706084/ KG ZA 26-568
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[eiseres], te [vestigingsplaats],
eiseres,
advocaat mr. L.A. de Haan, te Houten,
tegen
[gedaagde], te [woonplaats],
gedaagde.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 juni 2026, met producties;
- het verweerschrift van [gedaagde], met bijlagen;
- de op 3 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door mr. De Haan pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting van 3 juli 2026 besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is een vereniging, opgericht in 1952. [eiseres] huurt een stuk grond van de [gemeente]. [eiseres] heeft als (voornaamste) doel het beheren van volkstuinen ten behoeve van haar leden.
2.2.
[eiseres] heeft dit stuk grond opgedeeld in 93 tuinen, welke zij ter beschikking stelt aan haar leden. De [gemeente] legt regels op aan [eiseres]. Daarnaast hebben de leden van [eiseres] zelf ook regels afgesproken. Deze regels zijn te vinden in de statuten en het Huishoudelijk Reglement (hierna: HR) van [eiseres].
2.3.
Artikel 6 lid 4 van Pro de statuten luidt als volgt:
“4. Het lid geeft ter voldoening van wat hij op grond van zijn lidmaatschap aan de vereniging verschuldigd is zijn (toekomstige) bouwsels en beplantingen tot meerdere zekerheid aan de vereniging in onderpand. Het lid verleent door aanvaarding van zijn lidmaatschap aan de vereniging een onherroepelijke machtiging om tot verkoop of verwijdering van bouwsels en beplantingen over te gaan. Die onherroepelijke machtiging geldt wanneer hij niet (geheel) aan zijn verplichtingen tegenover de vereniging voldoet, of wanneer hij bij beëindiging van zijn lidmaatschap de hem ter beschikking gestelde volkstuin niet aan de vereniging ter beschikking stelt. Het lid machtigt de vereniging tevens onherroepelijk om in het voorkomende geval de opbrengst van zijn bouwsels en beplantingen te verrekenen met wat het lid aan de vereniging verschuldigd is of zal zijn. Is de opbrengst van zijn bouwsels en beplantingen niet voldoende, dan is het lid gehouden binnen veertien dagen na de verkoop van zijn bouwsels en beplantingen het restantbedrag aan de vereniging te voldoen.”
2.4.
In de artikelen 24 en 25 HR is het volgende bepaald:
“Indien geconstateerd wordt dat een lid zijn tuin, heggen, paden, slootkanten, et cetera niet naar behoren onderhoudt, zal dit lid in eerste instantie hierop worden aangesproken door de tuincommissaris. Het lid is dan verplicht alle naar redelijkheid gegeven aanwijzingen binnen 14 dagen op te volgen tenzij er gegronde redenen zijn die hem/haar dat beletten. In dat geval moet het lid verwezen worden naar een der leden van het dagelijks bestuur.
(…)
Als er geen bijzondere beletselen bestaan en het lid de gegeven aanwijzingen na de toegestane 14 dagen niet heeft opgevolgd, zal het lid door het bestuur schriftelijk aangemaand worden, onder verwijzing naar de betrokken artikelen van het HR. Blijft het lid alsnog in gebreke dan kan dit opzegging van het lidmaatschap door het bestuur tot gevolg hebben.”
2.5.
In artikel 68 HR Pro is het volgende bepaald over de verplichtingen van de leden:
“1. leder lid is gehouden zijn tuin schoon en onkruidvrij te houden. Ook de beplanting en groenstrook die als afscheiding dienen - voor zover daartoe niet van gemeentewege of via werkbeurten wordt zorggedragen - moeten behoorlijk worden onderhouden.
2. De leden zijn verplicht de (gras)paden en groenstroken, grenzende aan hun tuin te onderhouden, tenzij daarvoor door de vereniging wordt zorggedragen.
3. Zieke en verwaarloosde bomen, struiken en planten op de eigen tuin die voor andere tuinen en/of de borders een gevaar kunnen vormen, moeten zo spoedig mogelijk worden verwijderd.
4. leder lid is verplicht zijn tuin en de zich eventueel daarop bevindende opstal(len) vanaf de aanvang van het gebruik tot het tijdstip van de beëindiging van het gebruik in goede staat te houden.
5. Leden die langs een sloot tuinieren zijn verplicht de strook gras langs de sloot regelmatig te maaien, de slootkant te onderhouden en de sloot vrij te houden van drijvend vuil.
6. De leden mogen op hun tuin geen bomen en heesters hebben met een grotere hoogte dan 3,5 meter en dienen tijdig maatregelen te nemen om overschrijding van deze hoogte te voorkomen.
7. De heggen rond de tuinen zijn in eigendom bij de vereniging.
De individuele leden hebben een onderhoudsplicht voor de heggen, grenzend aan hun tuin. Over eventuele schade aan de heggen en/of vervanging van heggen beslist het bestuur. Eventuele schadevergoeding door de vereniging bij schade aan heggen is beperkt tot materiaalkosten.”
2.6.
De meeste tuinen zijn voorzien van een tuinhuisje en een kweekkas. Wanneer een tuinder geen lid meer wil of kan zijn, draagt hij zijn tuin met bouwsels over aan een kandidaat-lid. [eiseres] is tussenpersoon bij deze overdracht. Voor het overnemen van de bouwsels betaalt een kandidaat-lid een vergoeding. Verreweg het grootste deel van deze waarde wordt vertegenwoordigd door de tuinhuisjes.
2.7.
In het voorjaar van 2023 is [gedaagde] lid van [eiseres] geworden. Hij kreeg Tuin [nummer] toegewezen. Met het lid worden van [eiseres] en het in gebruik nemen van Tuin [nummer] stemde [gedaagde] in met de regels neergelegd in de statuten en het HR van [eiseres]. Deze werden hem overhandigd.
2.8.
Het tuinhuisje van Tuin [nummer] verkeerde in slechte staat, waardoor het vrijwel niets waard was. Bij het overnemen van de tuin sprak [gedaagde] met [eiseres] af dat hij het tuinhuisje zou herstellen, dan wel zou vervangen. [gedaagde] betaalde € 730 voor het overnemen van de kweekkas. Voor het tuinhuisje betaalde hij niets.
2.9.
Jaarlijks worden alle tuinen geïnspecteerd door de Bouwcommissie en de Tuincommissie van [eiseres]. De tuin van [gedaagde] werd (sinds zijn lidmaatschap) voor het eerst geïnspecteerd in november 2023. In het inspectierapport (het inspectierapport 2023) is onder meer opgenomen dat het tuinhuisje van Tuin [nummer] in zeer slechte staat verkeerde dat hieraan geen of onvoldoende onderhoud was gepleegd en dat Tuin [nummer] niet in orde was. [gedaagde] kreeg het inspectierapport 2023 toegestuurd, waarbij hij werd verzocht een afspraak te maken om de staat van Tuin [nummer] te bespreken. Volgens het inspectierapport 2023 moest [gedaagde]:
- rommel opruimen;
- een compostbak plaatsen;
- bomen/heesters snoeien zodat deze niet hoger zouden zijn dan 3,5 m;
- ervoor zorgen dat zijn bomen verder dan 0,5 meter afstand staan van de aangrenzende
tuinen;
- essen verwijderen;
- overhangende takken verwijderen;
- onkruid verwijderen;
- de hazelaar en eik langs de grens van tuin 40 inkorten;
- de slootkanten en bermen opruimen;
- de slootbodem opruimen;
- het hout van zijn tuinhuisje repareren;
- zijn tuinhuisje schilderen;
- zijn tuinscherm repareren en
- zijn toegangshek deugdelijk onderhouden.
2.10.
Op 23 november 2024 vond de algemene ledenvergadering (ALV) van [eiseres] plaats. Het bestuur merkte op dat er bij ongeveer 9 à 10 tuinen sprake was van achterstallig onderhoud. Daarnaast viel het bestuur op dat uitkomsten en aanwijzingen van de jaarlijkse tuininspecties niet altijd goed werden opgepakt en/of opgevolgd. Het bestuur stelde voor hier strakker op te sturen. Tuinders zouden eerst de kans krijgen om op basis van de rapportages van de commissies hun tuin te herstellen, maar de uiteindelijke sanctie zou opzegging van het lidmaatschap zijn. De ALV ondersteunde het bestuur in deze lijn.
2.11.
In december 2024 en januari 2025 is de Tuin- en Bouwinspectie van 2024 uitgevoerd. Tuin [nummer] is op 8 januari 2025 geïnspecteerd. In het inspectierapport (hierna: inspectierapport 2024) bevat meerdere punten die als “niet in orde” zijn opgenomen die ook al in het inspectierapport 2023 waren opgenomen, zoals de algemene staat van onderhoud, het onkruid vrijhouden van de haag en de aanwezigheid van essen. Ook bevat het dezelfde bevindingen over het tuinhuisje, het tuinscherm en het toegangshek als in het inspectierapport 2023.
2.12.
Bij brief van 11 februari 2025 heeft het bestuur aan [gedaagde], onder meer het volgende meegedeeld:
“Naar aanleiding van de Tuin- en Bouwinspectie 2024 (zie bijlagen ) delen wij u het volgende mede. Op grond van artikel 5, lid 6 en artikel 19, leden 1 en 3 van de Statuten, alsmede de artikelen 61 en 68 tot en met 78 van het Huishoudelijk Reglement, bent u verplicht de tuin en opstallen in goede staat te brengen en te houden in overeenstemming met de eisen van onze Statuten en Huishoudelijk reglement. Wij hebben geconstateerd op grond van de inspectierapporten 2024 dat de algemene staat van onderhoud van uw tuin niet in orde is. Hierdoor is er sprake van de volgende aanwijzingen:
Achterstallig onderhoud huisje herstellen (schilderen, houtreparatie)
Repareren tuinscherm
onderhoud toegangshek
Haag onkruidvrij maken
Slootkant en berm schoonmaken
Rommel opruimen
Wij hebben tevens geconstateerd dat in de rapportage over 2023 u op dit punt reeds gewezen bent en dat u in 2024 deze aanwijzingen niet opgevolgd hebt. Ook zijn hierover gesprekken met u geweest op uw tuin. Het niet opvolgen van de aanwijzingen van de Tuin- en Bouwcommissies levert op grond van de artikelen 24 en 25 van het Huishoudelijk Reglement een overtreding op. U wordt gemaand om de aanwijzingen in de inspectierapporten op te volgen en de overtreding en de nalatigheid ongedaan te maken. Het niet opvolgen hiervan kan gevolgen hebben ex de artikelen 24 en 25 Huishoudelijk reglement. De termijn hiervoor is:
achterstallig onderhoud huisje: 15 mei 2025
Repareren tuinscherm: 15 mei 2025
onderhoud toegangshek: 15 mei 2025
Haag onkruidvrij maken: 15 maart 2025
Slootkant en berm schoonmaken: 15 maart 2025
Es verwijderen aan de slootkant: 15 maart 2025
Rommel opruimen: 15 maart 2025
Vragen en onduidelijkheden over de aanwijzingen in de rapporten kunt u mailen aan de Tuin- of Bouwcommissaris. Indien het onverhoopt niet mogelijk is aan de termijnen te voldoen, verzoeken wij u ons per ommegaande te berichten.”
2.13.
Hierop heeft [gedaagde] gereageerd bij e-mail van 15 februari 2025. [gedaagde] stelde zich, kort gezegd, op het standpunt dat:
- hij de brief ziet als intimidatie door een autoritair bestuur;
- er bewijsmateriaal wordt verzonnen om hem uit de tuin te zetten;
- hij door leden en het bestuur wordt gediscrimineerd;
- zijn tuinhuisje op slot zat, waardoor de binnenkant niet bezichtigd heeft kunnen worden door de bouwcommissie;
- de in de brief vermelde tekortkomingen niet zijn onderbouwd met foto’s.
2.14.
Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft het bestuur van [eiseres] aan [gedaagde] onder meer laten weten dat acht andere tuinders in februari 2025 een soortgelijke brief hebben gekregen als [gedaagde] en dat de binnenkant van het tuinhuisje van [gedaagde] niet is geïnspecteerd.
2.15.
Vanaf 19 maart tot 2 mei 2025 is [gedaagde] diverse malen uitgenodigd voor gesprekken met het bestuur. [gedaagde] is daarop niet ingegaan.
2.16.
In augustus 2025 is Tuin [nummer] opnieuw geïnspecteerd door de Tuincommissie en de Bouwcommissie. In het inspectierapport (inspectierapport 2025) is onder meer de algemene staat van onderhoud, de aanwezigheid van essen en het onkruid vrijhouden van de haag als “niet in orde” aangemerkt. Over het tuinhuisje is in het rapport het volgende opgenomen:
  • Achterstallig onderhoud huisje (houtreparatie en schilderen), niet gebeurd behoudens het aanbrengen van kleur met een spuitbus.
  • Bouwkundige problemen zoals het vernieuwen van boeiborden is niet opgelost.
  • Op het dak is een nieuw laag dakbedekking aangebracht maar alle aansluitingen op boeiborden ontbreken.
  • Het tuinhekje is niet netjes gerepareerd maar ook hier is het hekje gespoten met spuitbus zonder reparatie, goed schoon maken en schuren.
  • Aan de tuinkas is niets veranderd dus geen werkzaamheden verricht.”
2.17.
Per brief van 16 september 2025 heeft het bestuur [gedaagde] nogmaals een termijn gegeven tot 30 november 2025 om de verlangde onderhoudsmaatregelen aan Tuin [nummer] te nemen.
2.18.
Op 29 november 2025 zijn drie tuinen, waaronder die van [gedaagde], geïnspecteerd door de Bouw- en de Tuincommissie. Bij deze inspectie was ook het bestuur aanwezig.
2.19.
Bij aangetekende brief van 30 november 2025 heeft het bestuur het lidmaatschap van [gedaagde] opgezegd per 31 december 2025. [gedaagde] werd medegedeeld dat hij tegen dit besluit van het bestuur in beroep kon gaan bij de ALV.
2.20.
Op 28 februari 2026 vond de ALV plaats. Tijdens de ALV werd [gedaagde] gehoord, in het bijzijn van een tolk. [gedaagde] kreeg, nadat het bestuur op zijn eerste termijn reageerde, een tweede termijn om te spreken. Hierna werd door de ALV gestemd. Er waren 37 leden aanwezig, daarnaast waren 12 leden gemachtigd om voor een ander lid te stemmen. Van de 49 stemgerechtigden waren er 42 akkoord met het bestuursbesluit om het lidmaatschap van [gedaagde] op te zeggen.
2.21.
Bij brief van 13 maart 2026 heeft het bestuur aan [gedaagde] onder meer het volgende bericht:
“In de bijzondere ALV van 28 februari 2026 is uw bezwaar tegen de opzegging van uw lidmaatschap per 31 december 2025 ongegrond verklaard, waardoor uw lidmaatschap per genoemde datum is geëindigd.
Uw tuin dient nu in gereedheid te worden gebracht ten behoeve van de overdracht aan een andere tuinder.
De door u te verrichten werkzaamheden staan vermeld in de bijgevoegde rapporten van de Bouwcommissaris en van de Tuincommissaris. Deze rapporten zijn op onderdelen uitgebreider dan de jaarlijkse tuin- en bouwrapporten en de daaruit voortvloeiende aanwijzingen omdat uw tuin goed onderhouden en vrij van persoonlijke eigendommen opgeleverd dient te worden.
Wij geven u de gelegenheid om de genoemde werkzaamheden vóór 30 april 2026 uit te voeren en op 30 april 2026 de sleutels van huisje, kas, elektriciteit en Aanloop in te leveren. Op deze datum zal tevens de inspectie plaatsvinden of u conform de rapporten de werkzaamheden hebt uitgevoerd. Als dat onverhoopt niet het geval is, zullen de resterende werkzaamheden op uw kosten door derden onder onze regie worden uitgevoerd. Deze kosten zullen met u verrekend worden uit de opbrengst van uw bouwsels; is deze opbrengst onvoldoende, dan bent u verplicht het restantbedrag binnen 14 dagen aan de vereniging te voldoen (zie hiervoor artikel 6, lid 4 van de Statuten en artikel 115 van Pro het Huishoudelijk Reglement).”
2.22.
Op 28 april 2026 werd [gedaagde] verzocht om bij de finale inspectie van zijn tuin aanwezig te zijn. [gedaagde] reageerde hierop afwijzend.
2.23.
Per advocatenbrief van 5 mei 2026 is [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk 12 mei 2026 (onder meer) te bevestigen dat hij [eiseres] ongehinderde toegang zou verlenen tot de tuin. [gedaagde] reageerde niet op deze brief.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I [gedaagde] veroordeelt om Tuin [nummer], inclusief bouwsels, binnen één week na dagtekening van het vonnis ter beschikking te stellen aan [eiseres], zodat [eiseres] herstel van de tuin en bouwsels kan laten uitvoeren en de tuin ter beschikking kan stellen aan een nieuw aan te wijzen kandidaat lid, tegen een aan [gedaagde] te betalen vergoeding, vast te stellen door de Taxatiecommissie, met aftrek van de door [eiseres] gemaakte kosten;
subsidiair:
II [gedaagde] veroordeelt om Tuin [nummer], inclusief bouwsels, binnen twee weken na dagtekening van het vonnis te ontruimen en in ordentelijke staat ter beschikking te stellen aan [eiseres] ten behoeve van een nieuw aan te wijzen kandidaat-lid;
III [gedaagde] veroordeelt om Tuin [nummer], inclusief bouwsels, binnen twee weken na dagtekening van het vonnis ter beschikking te stellen aan [eiseres], zodat [eiseres] herstel van de tuin en bouwsels kan laten uitvoeren en de tuin ter beschikking kan stellen aan een nieuw aan te wijzen kandidaat lid, tegen een aan [gedaagde] te betalen vergoeding, vast te stellen door de Taxatiecommissie, met aftrek van de door [eiseres] gemaakte kosten;
primair en subsidiair:
IV [gedaagde] veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan taxatie van de tuin en de bouwsels in de tuin, conform het bepaalde in de statuten van [eiseres];
V [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500 per dag dat hij nalaat aan het vonnis te voldoen;
VI [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis.
3.2.
Hiertoe stelt [eiseres] samengevat, dat zij het lidmaatschap van [gedaagde] rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 31 december 2025 en hem voldoende tijd heeft gegeven om Tuin [nummer] aan [eiseres] ter beschikking te stellen. [gedaagde] weigert echter hieraan mee te werken. [eiseres] is op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de statuten bevoegd om tot verwijdering van beplanting en bouwsels over te gaan. De kosten voor het in orde maken van de tuin en het afvoeren van het huisje schat [eiseres] in op € 12.500. Deze kosten zal [gedaagde], na verrekening van de opbrengst van zijn tuin en bouwsels, aan [eiseres] moeten voldoen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden besproken.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.
[eiseres] heeft als volgt toegelicht dat zij spoedeisend belang heeft bij dit kort geding. De finale inspectie van de tuin had op 30 april 2026 moeten zijn uitgevoerd. Omdat [gedaagde] weigert zijn tuin te verlaten, kan deze tuin niet ter beschikking worden gesteld aan een kandidaat-lid. Volkstuinen zijn zeer gewild, momenteel staan er kandidaat-leden op de wachtlijst. Daarnaast onderhoudt [gedaagde] de tuin niet, waardoor de staat van de tuin blijft verslechteren en de herstelkosten steeds hoger worden. [gedaagde] heeft dit een en ander niet weersproken. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Het te toetsen besluit
4.2.
In deze zaak staat centraal of [eiseres] het lidmaatschap van [gedaagde] heeft mogen beëindigen. In dit geval heeft het bestuur het lidmaatschap opgezegd tegen 31 december 2025, welke bevoegdheid het bestuur toekomt op grond van artikel 7 lid 4 van Pro de statuten. In dat lid is ook bepaald dat tegen opzegging door de vereniging geen beroep openstaat. Niettemin heeft het bestuur wel beroep opengesteld bij de ALV, omdat artikel 11 lid 8 HR Pro bepaalt dat tegen een opzegging door het bestuur beroep openstaat bij de ALV.
4.3.
In dit geval is er sprake van strijd tussen de statuten en het HR over de vraag of er beroep openstaat tegen een opzeggingsbesluit van het bestuur. Omdat de statuten de grondregels bevatten van de vereniging en het HR is bedoeld als aanvulling op en uitwerking van de statuten, gaan, in het geval sprake is van tegenstrijdige bepalingen, de statuten voor. Nu een beroep bij de ALV tegen een bestuursbesluit tot opzegging van een lidmaatschap op grond van de statuten is uitgesloten, betekent dit dat het beroep van [gedaagde] bij de ALV in strijd met de statuten is. Het beroep zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten. In dit kort geding ligt alleen het besluit tot opzeggingsbesluit ter toetsing voor.
Het opzeggingsbesluit
4.4.
Het opzeggingsbesluit kan door de bodemrechter nietig worden verklaard op grond van artikel 2:14 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) of worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW Pro. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag waarop het besluit aan [gedaagde] is meegedeeld. Er loopt geen procedure bij de bodemrechter tegen het opzeggingsbesluit.
4.5.
De vordering die strekt tot het ter beschikking stellen althans ontruimen van Tuin [nummer] is in kort geding slechts toewijsbaar als in voldoende mate aannemelijk is dat de bodemrechter deze vordering zal toewijzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is. Daartoe is het volgende redengevend.
4.6.
Naar aanleiding van inspecties en aanwijzingen van de Bouw- en Tuincommissie, welke aanwijzingen niet door [gedaagde] zijn opgevolgd, heeft het bestuur van [eiseres] [gedaagde] herhaaldelijk aangeschreven om de in de inspectierapporten omschreven onderhoudswerkzaamheden aan zijn tuin te verrichten. Daarbij valt op dat meerdere dezelfde onderwerpen in alle rapporten als “niet in orde” zijn aangemerkt. [gedaagde] heeft de inspectierapporten afgedaan als gefabriceerd en aangevoerd dat er dingen in staan die niet waar zijn, zonder toe te lichten op welke punten de rapporten onjuist zouden zijn. Dat had wel van hem mogen verwacht. [gedaagde] heeft de juistheid van de inspectierapporten dus onvoldoende gemotiveerd bestreden. Hij heeft ook niet weersproken dat hij aan de aanschrijvingen niet (geheel) heeft voldaan en de aanwijzingen van het bestuur niet heeft opgevolgd. Met betrekking tot het tuinhuisje heeft [gedaagde] wel aangevoerd dat hij een nieuw dak heeft aangebracht en het tuinhuisje heeft geschilderd, maar in het inspectierapport 2025 is toegelicht dat en waarom deze maatregelen in de visie van de Tuin- en Bouwcommissie als ontoereikend worden aangemerkt. Voldoende aannemelijk is dan ook dat [gedaagde] gedurende langere tijd in zijn verplichtingen voortvloeiende uit het lidmaatschap is tekortgeschoten. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen dat de gevolgde procedure leidend tot het opzeggingsbesluit niet in overeenstemming is met de statuten en het HR.
4.7.
De voorzieningenrechter gaat ook niet mee in het verweer van [gedaagde] dat opzegging een disproportionele maatregel is en dat [eiseres] eerst een minder verstrekkende maatregel, zoals een berisping, had moeten opleggen. Het verwijt dat [gedaagde] gemaakt wordt is dat hij tekortgeschoten is in het onderhoud van zijn tuin en tuinhuis én dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de herhaaldelijk gegeven aanwijzingen van de Bouw- en Tuincommissie en het bestuur over het onderhoud. Voldoende aannemelijk geworden is dat de combinatie van deze overtredingen een rechtvaardiging biedt voor een opzegging, te meer nu in artikel 25 HR Pro wordt voorgehouden dat het niet opvolgen van aanwijzingen kan leiden tot een opzegging van het lidmaatschap.
4.8.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat (het bestuur van) [eiseres] zich, kort gezegd, zeer autoritair en discriminerend jegens hem heeft opgesteld met het uitsluitende doel om hem weg te jagen. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor dit standpunt van [gedaagde]. Dit geldt te meer nu het bestuur vanaf 2024 met instemming van de ALV de regels voor de tuinen strakker is gaan handhaven en het bestuur niet alleen [gedaagde], maar ook acht andere leden heeft aangeschreven om aan die regels te voldoen. Dit heeft ertoe geleid dat het lidmaatschap van drie leden is opgezegd. [gedaagde] was dus zeker niet enige die met de strakkere handhaving te maken kreeg. Zijn verweer op dit punt wordt dus verworpen.
[gedaagde] moet Tuin [nummer] ter beschikking stellen
4.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] Tuin [nummer] zal moeten opgeven. De primaire vordering onder I om [gedaagde] te veroordelen om Tuin [nummer], inclusief bouwsels, aan [eiseres] ter beschikking te stellen zal worden toegewezen, met dien verstande dat het vonnis eerst zal moeten worden betekend. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een maximum van € 20.000.
4.10.
Het resterende gedeelte van de primaire vordering onder I acht de voorzieningen-rechter onvoldoende bepaald, nu op voorhand niet duidelijk is of [eiseres] een vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd zal zijn. Dit gedeelte van de vordering komt dus niet voor toewijzing in aanmerking. Dit neemt niet weg dat de (financiële) afwikkeling tussen [eiseres] en [gedaagde] zal moeten plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6 lid 4 en Pro verder van de statuten.
4.11.
De gevorderde veroordeling tot medewerking aan taxatie (vordering IV) komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu ervan moet worden uitgegaan dat [eiseres] na de ter beschikkingstelling van Tuin [nummer] zelf tot taxatie zal kunnen overgaan.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is (in overwegende mate) in het ongelijk gesteld en zal daarom de proceskosten van [eiseres] moeten vergoeden. Deze kosten worden als volgt begroot:
- dagvaarding: € 126,46
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.227,46
4.13.
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om Tuin [nummer], inclusief bouwsels, binnen één week na betekening van het vonnis ter beschikking te stellen aan [eiseres];
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500 per dag dat hij nalaat aan de veroordeling onder 5.1 te voldoen, tot maximum is bereikt van € 20.000;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.227,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
10 juli 2026.
lh