ECLI:NL:RBDHA:2026:19799

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 6970
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Termijnoverschrijding bezwaar erfbelasting verschoonbaar door niet doorsturen aanslag door notaris

Eiseres maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting die zij niet tijdig had ontvangen omdat de notaris, die als contactpersoon was aangewezen, de aanslag niet aan haar had doorgestuurd. De aanslag was vastgesteld op een hoger bedrag dan in de aangifte vermeld stond. De notaris diende een herziene aangifte in die als bezwaar werd aangemerkt, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet eerder dan bij de aanmaning op de hoogte was van de aanslag en dat het niet doorsturen van de aanslag door de notaris niet aan haar kan worden toegerekend. Hierdoor is de termijnoverschrijding verschoonbaar. De rechtbank vernietigt het gedeelte van de uitspraak op bezwaar dat betrekking heeft op eiseres en draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaar.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres en bepaalt zij dat het betaalde griffierecht aan eiseres wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter S.E. Postema op 9 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens verschoonbare termijnoverschrijding en draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/6970
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,(gemachtigde: mr. D. Harreman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres tegen de opgelegde aanslag erfrecht wegens een verkrijging in het jaar 2020.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst 1] en [medewerker belastingdienst 2] .
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer SGR 25/6979 van [naam 1] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op eiseres;
- draagt verweerder op ten aanzien van eiseres opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. Op [datum] 2020 is [erflater] (erflater) overleden. Uit de verklaring van erfrecht van 30 juni 2020 blijkt dat mr. [naam 2] , notaris bij [notariskantoor] , als executeur en afwikkelings-bewindvoerder is benoemd.
2. Op 23 februari 2023 is de aangifte erfbelasting ingediend door mr. [de notaris] , notaris bij [notariskantoor] (de notaris), die in de aangifte ook vermeld staat als contactpersoon en degene aan wie de aanslag moet worden toegestuurd.
3. Uit de aangifte blijkt dat er in totaal 16 verkrijgers zijn ten aanzien van de nalatenschap, waaronder eiseres. Haar legaat bedraagt volgens de aangifte € 80.058.
4. Met dagtekening 23 augustus 2024 is de definitieve aanslag erfbelasting vastgesteld (de aanslag). Volgens de aanslag bedraagt de verkrijging van eiseres uit de nalatenschap € 279.397 en de betalen erfbelasting € 99.085. De aanslag vermeldt in de aanhef de naam van eiseres en is met een begeleidende brief verzonden aan de notaris naar het adres van zijn kantoor. In die brief is verzocht om de belanghebbenden te informeren over de bijgaande beschikkingen. De notaris heeft de aanslag niet doorgestuurd naar eiseres.
5. Op 16 oktober 2024 heeft de notaris een herziene aangifte erfbelasting ingediend. Verweerder heeft deze herziene aangifte als bezwaar tegen de aanslag aangemerkt.
6. Eiseres heeft een aanmaning met dagtekening 10 september 2025 ontvangen tot betaling van de aanslag van € 99.085.
7. Bij brief van 12 september 2025 heeft de gemachtigde namens eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Hij heeft aangevoerd dat eiseres de aanslag niet heeft ontvangen en dat deze kennelijk naar een te hoog bedrag is opgelegd.
8. In de uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2025, verstuurd naar het adres van de notaris, heeft verweerder het door de notaris ingediende bezwaar (de herziene aangifte) niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bezwaarschrift als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt en is gedeeltelijk tegemoetgekomen. De aanslag is verminderd naar € 76.427.
9. In geschil is of het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Meer in het bijzonder is in geschil of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
10. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener ervan in verzuim is geweest.
11. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres niet eerder dan bij de aanmaning van 10 september 2025 op de hoogte is geraakt van de aanslag. Aangezien zij de notaris niet zelf heeft aangesteld, kan zijn handelen (het niet doorsturen van de aanslag) niet aan haar worden toegerekend. De gemachtigde van eiseres heeft vrijwel meteen na ontvangst van de aanmaning een bezwaarschrift ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding van eiseres in dit geval verschoonbaar. Voor zover de uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2025 betrekking heeft op eiseres, is dit gedeelte vernietigd en heeft de rechtbank verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres.
12. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt het beroep in de onderhavige zaak en in de zaak SGR 25/6979 aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit. De helft van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten, derhalve € 934, wordt daarom toegekend aan de onderhavige zaak en de andere helft aan de zaak met nummer SGR 25/6979.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).