ECLI:NL:RBDHA:2026:19806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38013 en NL26.38014
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a VwArt. 6 VwArt. 14 SchengengrenscodeArt. 94 VwArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel bij grensdetentie afgewezen

Eiser, een Ghanese asielzoeker, arriveerde op 16 juni 2026 op Schiphol en vroeg diezelfde dag asiel aan. Na vaststelling van Dublin-aanknopingspunten werd zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht. Vervolgens werd op 7 juli 2026 de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd wegens onderduikrisico.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet in het bezit was van een geldig visum, niet over voldoende middelen beschikte en geen vaste woon- of verblijfplaats had. Deze feiten werden niet betwist en rechtvaardigen de maatregelen. De rechtbank ziet geen onrechtmatigheid in de besluiten en verklaart de beroepen ongegrond.

Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de gestelde termijnen.

Uitkomst: Het beroep tegen de toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38013 en NL26.38014

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2026 (bestreden besluit 1, zaaknummer NL26.38014) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Pro de Schengengrenscode [1] de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2, zaaknummer NL26.38013) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw [2] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1995 en stelt de Ghanese nationaliteit te hebben.
Feiten en omstandigheden
2. Eiser is op 16 juni 2026 om 07:45 uur aangekomen op Schiphol met een vlucht vanuit Accra. Eiser heeft tevens die dag asiel aangevraagd. Nadat hij is gehoord, is aan hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw met Dublin aanknopingspunten. Het overgelegde identiteitsdocument bevat een stempel van een Schengenvisum afgegeven door de Duitse autoriteiten. Om die reden heeft verweerder op 22 juni 2026 de Duitse autoriteiten verzocht om eiser over de te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 25 juni 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vanaf die datum vaststaat. Bij besluit van 28 juni 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] Vervolgens is aan hem op 7 juli 2026 op grond van de artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd en is de maatregel omgezet naar de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a van de Vw.
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering van 7 juli 2026)
3. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
4. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel van 7 juli 2026)
5. Op grond van artikel 5.5, vierde lid, van het Vb [4] kan, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo) [5] , een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, onder meer indien er een onderduikrisico bestaat. Uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb volgt dat de maatregel als bedoeld in onder meer artikel 6a van de Vw kan worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien zich ten minste twee van de gronden als bedoeld in het tweede lid van dat artikel voordoen.
6. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat. Als gronden [6] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- i. de vreemdeling aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond.
- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht. [7] Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is, wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier , en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 2016/399.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 3, aanhef onder a, van de Vw.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Verordening (EU) 2024/1351.
6.Artikel 5.6, tweede lid, van de Vb.
7.Op grond van artikel 5.6, derde lid, van het Vb.