ECLI:NL:RBDHA:2026:19808

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36856
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a VwArt. 106 lid 1 VwArt. 59c VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 lid 1 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en weigering lichter middel

In deze bestuursrechtelijke zaak staat de maatregel van vreemdelingenbewaring centraal die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en voert onder meer aan dat er geen onderduikrisico bestaat en dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.

De rechtbank beoordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er een onderduikrisico bestaat, gebaseerd op meerdere gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet tijdig verlaten van de EU ondanks eerdere kennisgevingen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De door eiser betwiste grond over onvoldoende medewerking aan het vaststellen van identiteit wordt door de minister gehandhaafd, maar ook zonder deze grond zijn de overige gronden voldoende.

De rechtbank oordeelt voorts dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel, omdat geen andere doeltreffende en minder dwingende maatregelen beschikbaar zijn. De wisselende verklaringen van eiser over het bezit van een paspoort en het feit dat hij geen vaste verblijfplaats heeft, versterken het onderduikrisico. De ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.R. van der Winkel en griffier F.E. Siblesz op 10 juli 2026 te Zwolle.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [1] Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [2]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel
.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [3]
2.2.
Partijen hebben ingestemd met het schriftelijk uitwisselen van standpunten. Eiser heeft op 6 juli 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 7 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 8 juli 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [4] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [5] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [6] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [7]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Eiser betwist de juistheid van grond c omdat hij contact wil opnemen met zijn vader om te vragen of hij een reisdocument wil opsturen. Eiser stelt dat er in zijn geval geen onttrekkingsrisico is omdat hij graag wil terugkeren naar Marokko.
5.1.
De minister handhaaft de grond c en stelt dat de onbestreden gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser betwist weliswaar dat de grond c aan hem kan worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden a, b, p, r en s zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Dat eiser nu stelt graag terug te willen keren naar Marokko omdat hij bij zijn zieke vader wil zijn maakt dat niet anders, het onderduikrisico is onverminderd aanwezig gelet op de tegengeworpen gronden. Eiser heeft niet betwist dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dat hij eerder een besluit heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn gevolg heeft gegeven, dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij graag wil terugkeren naar Marokko kan hier met behulp van een meldplicht aan gewerkt worden. Eiser wil graag contact opnemen met zijn vader omdat die hem mogelijk een reisdocument kan opsturen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. [8] De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft hierbij betrokken dat eiser gezond is en dat er, indien nodig, een medische dienst aanwezig is in het detentiecentrum. De minister wijst in het verweerschrift verder terecht op het vertrekgesprek van 7 juli 2026 waarin eiser in eerste instantie verklaart dat hij zijn paspoort niet heeft omdat deze in Marokko ligt, en later dat hij zijn paspoort is kwijtgeraakt in Marokko en dat hij een kopie heeft die bij zijn ouders ligt. Eiser verklaart wisselend over het al dan niet hebben van een paspoort in Marokko dat hij kan opvragen via zijn vader.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [9]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
8.Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
9.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.