ECLI:NL:RBDHA:2026:19812
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening voor voortzetting opvang uitgeprocedeerde asielzoeker AMV
Verzoeker, een uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV), diende een asielaanvraag in die werd afgewezen. Na afwijzing van het beroep en hoger beroep, legde de minister een terugkeerbesluit op en weigerde een verblijfsvergunning regulier op grond van het AMV-buitenschuldbeleid.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om zijn opvang voort te zetten, omdat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) had aangegeven de opvang te beëindigen. De minister verzette zich tegen het verzoek, stellende dat er geen recht op opvang bestaat na afronding van de asielprocedure.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker, gezien zijn kwetsbare positie en het risico op dakloosheid en criminaliteit, zwaarder weegt dan het belang van de minister. De rechter stelde vast dat het niet voortzetten van opvang onomkeerbare gevolgen kan hebben en dat de situatie voortkomt uit de handelwijze van de minister en de wetgever.
De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor de opvang wordt voortgezet totdat op het beroep tegen het terugkeerbesluit is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en schorst het terugkeerbesluit, waardoor de opvang van verzoeker wordt voortgezet tot op het beroep is beslist.