ECLI:NL:RBDHA:2026:19812

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
26.4111
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 11 Vw 2000Art. 7 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening voor voortzetting opvang uitgeprocedeerde asielzoeker AMV

Verzoeker, een uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV), diende een asielaanvraag in die werd afgewezen. Na afwijzing van het beroep en hoger beroep, legde de minister een terugkeerbesluit op en weigerde een verblijfsvergunning regulier op grond van het AMV-buitenschuldbeleid.

Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om zijn opvang voort te zetten, omdat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) had aangegeven de opvang te beëindigen. De minister verzette zich tegen het verzoek, stellende dat er geen recht op opvang bestaat na afronding van de asielprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker, gezien zijn kwetsbare positie en het risico op dakloosheid en criminaliteit, zwaarder weegt dan het belang van de minister. De rechter stelde vast dat het niet voortzetten van opvang onomkeerbare gevolgen kan hebben en dat de situatie voortkomt uit de handelwijze van de minister en de wetgever.

De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor de opvang wordt voortgezet totdat op het beroep tegen het terugkeerbesluit is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en schorst het terugkeerbesluit, waardoor de opvang van verzoeker wordt voortgezet tot op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4111

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Feiten, omstandigheden en procesverloop

1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. Hij heeft op 20 november 2023 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag in een besluit van 6 februari 2025 afgewezen als ongegrond. In dit besluit legt de minister tevens uit dat hij nog zal onderzoeken of eiser adequate opvang heeft in Somalië en dat eiser gedurende dat onderzoek rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2. Het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, op 11 juni 2025 ongegrond verklaard. [1] Het hoger beroep tegen deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 september 2025 ongegrond verklaard. [2]
3. Op 10 november 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om verzoeker geen verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuld beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) en om een terugkeerbesluit op te leggen. In het bestreden besluit van 5 januari 2026 is de minister hierbij gebleven.
4. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en hangende dit beroep de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Op 2 juli 2026 heeft verzoeker een e-mail van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) overgelegd waaruit blijkt dat eisers opvang aldaar op 23 juli 2026 zal worden beëindigd. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter voor deze datum uitspraak te doen op het verzoek om voorlopige voorziening.
6. De rechtbank heeft de minister op 13 juli 2025 verzocht aan te geven of hij zich verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening. In de brief van 13 juli 2026 betoogt de minister dat het verzoek afgewezen dient te worden. De omstandigheid dat verzoeker de behandeling van de voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, houdt niet in dat er ook recht op opvang door het COa bestaat. Eisers asielprocedure is immers afgerond. [3]
7. Op 15 juli 2026 heeft de rechtbank verzoeker in de gelegenheid gesteld om aan te geven wat volgens hem de juridische grondslag is voor een recht op opvang hangende het beroep tegen het besluit van 5 januari 2026 in zijn verblijfsrechtelijke situatie (een uitgeprocedeerde asielzoeker). Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De minister heeft hierop gereageerd.
8. De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 16 juli 2026 het onderzoek gesloten en doet uitspraak op het verzoek zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Uitspraak zonder zitting
9. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. Nu verzoeker op 23 juli 2026 uit de opvang zal worden gezet, is sprake van onverwijlde spoed. Daarnaast hebben partijen tot tweemaal toe schriftelijk hun standpunten kunnen uiteenzetten over het verzoek. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanknopingspunt dat zij door het niet houden van een zitting in hun belangen zijn geschaad.
Spoedeisend belang
10. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
11. Uit de e-mail van het COa van 24 juni 2026 volgt dat verzoeker geen recht meer heeft op opvang. Uit de brief van 25 juni 2026 blijkt vervolgens dat de Rva-verstrekkingen op 23 juli 2026 zullen worden beëindigd. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evident sprake van een spoedeisend belang.
Belangenafweging
12. De voorzieningenrechter volstaat in dit geval met een belangenafweging aangezien deze onverwijlde-spoedprocedure zich niet leent voor een principieel rechtmatigheidsoordeel. Daarbij weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorzieningen en de belangen van de minister die daartegen pleiten.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers belang bij schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zwaarder weegt dat het belang van de minister. Daarbij is van belang dat verzoeker zich gelet op zijn leeftijd en persoonlijke situatie in een kwetsbare positie bevindt. Bij het niet treffen van een voorlopige voorziening zal verzoeker op straat terecht komen, terwijl hij geen familie of netwerk heeft. Bovendien is eiser vanwege zijn leeftijd beïnvloedbaar. Er bestaat daarom een aanmerkelijk kans dat hij in de illegaliteit verdwijnt dan wel in de criminaliteit belandt. Dit, terwijl nog niet vaststaat of verzoeker definitief geen aanspraak maakt op een verblijfsvergunning regulier buiten schuld en of hij moet terugkeren naar Somalië. In zoverre kan het niet treffen van een voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen voor verzoeker hebben. Daar komt bij dat de uitkomst van de asielprocedure niet zonder gevolgen is geweest voor verzoekers gemoedstoestand. Dit volgt uit het verslag van het vertrekgesprek van 13 juni 2025. Daarin merkt de regievoerder op dat verzoeker “zichtbaar aangeslagen, stil en timide is”. Ook verklaarde verzoeker dat hij niet in staat is geweest om naar school te gaan en “helemaal down” was en dat hij met niemand kan praten. Dit bevestigt zijn kwetsbare positie. Tegenover dit zwaarwegende belang van verzoeker staat het relatief beperkte belang van de minister dat hij door het treffen van een voorlopige voorziening eiser voorlopig nog niet kan uitzetten en er voorlopig opvang moet worden verstrekt aan verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit belang minder zwaar weegt dan het belang van verzoeker.
14. Verder is tussen partijen in geschil of het treffen van een voorlopige voorziening kan leiden tot het resultaat dat verzoeker aanspraak maakt op opvang. Weliswaar kan worden afgevraagd in hoeverre artikel 11 van Pro de Vw 2000 in combinatie met de Rva 2005 aan vreemdelingen in de verblijfsrechtelijke situatie van verzoeker een recht op opvang verstrekt, maar onduidelijk is of de wet- en regelgever deze situatie heeft voorzien. Deze situatie is immers het gevolg van het arrest TQ [4] en de toepassing van dit arrest door de minister in verzoekers situatie. De minister heeft de beoordeling van adequate opvang immers los van de asielprocedure gemaakt, waardoor verzoeker zich in de huidige verblijfsrechtelijke situatie bevindt: een uitgeprocedeerde asielzoeker in afwachting van de behandeling van het beroep tegen het besluit van waarin de minister, los van de asielbeschikking, concludeert dat eiser geen aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning en dient terug te keren naar Somalië. Als de minister deze beoordeling gelijktijdig had gemaakt met de beoordeling van de asielaanvraag van verzoeker, was verzoeker niet in deze situatie terecht gekomen. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom de gevolgen hiervan voor rekening van verzoeker moeten blijven. Het is voor de voorzieningenrechter bovendien niet duidelijk of de minister dan wel de wet- en regelgever na heeft gedacht over de vraag of deze kwetsbare (jongvolwassene) groep vreemdelingen in deze specifieke situatie geen aanspraak kunnen maken op opvangvoorzieningen. In ieder geval volgt uit de door verzoeker overgelegde e-mail van het COa van 24 juni 2026 dat het COa van mening is dat verzoeker met een toegekende voorlopige voorziening weer recht heeft op Rva-verstrekkingen en opvang. Gezien deze omstandigheden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te oordelen dat verzoeker met het schorsen van de gevolgen van het bestreden besluit ook weer aanspraak maakt op opvangvoorzieningen.
15. Onder deze omstandigheden komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van verzoeker bij opvang in periode waarin hij wacht op een rechterlijk oordeel over het besluit van 5 januari 2026 groter is dan het belang van de minister bij beëindiging van de opvangvoorziening. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat het om een tijdelijke maatregel gaat en dat verzoeker bij het beëindigen van de opvang in een uiterst onzekere positie terecht komt. Bovendien volgt uit het arrest Changu [5] dat er – gelet op het absolute karakter van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – altijd, als vangnet, een opvangvorm beschikbaar moet zijn die onvoorwaardelijk is. Dit geldt reeds voor een illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander, zolang hij niet van het grondgebied is verwijderd. Niet valt in te zien dat dit niet zou gelden voor verzoeker, een uitgeprocedeerde asielzoeker, die niet illegaal op het grondgebied verblijft gedurende de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep tegen het besluit van de minister dat hij geen aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling en dient terug te keren naar Somalië.

Conclusie en gevolgen

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en bepaalt dat de opvang van verzoeker in het COa wordt gecontinueerd tot is besloten op het beroep gericht tegen het besluit van 5 januari 2026.
17. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe zoals omschreven in rechtsoverweging 16;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,00 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.6823.
2.Zaaknummer 202503458/1/V2.
3.De minister wijst daarbij op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005).
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 september 2024 (ECLI:EU:C:2024:748, C-352/23), punt 74.