6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van drie medewerkers van de gemeente Leiden. Gedurende een periode van twee en een halve maand heeft hij de aangeefsters obsessief bestookt met telefoontjes, e-mails, whatsapp-berichten en heeft hij zelfs via sociale media gegevens en afbeeldingen verzameld van directe familie van de slachtoffers waaronder hun kinderen en gedreigd hen te benaderen wanneer de aangeefsters hem niet ter wille waren. Dit alles om druk uit te oefenen op de aangeefsters, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Bij één van de slachtoffers heeft de verdachte ook daadwerkelijk haar echtgenoot benaderd en hem herhaaldelijk gebeld en berichten gestuurd. Dit alles met als doel om een passende woning te krijgen van de Gemeente Leiden en eventueel hulp bij andere problemen. De verdachte heeft daarmee stelselmatig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefsters en hun familieleden. De aangeefsters hebben dit als intimiderend, bedreigend en beangstigend ervaren. Aangeefster [aangeefster 2] is door het handelen van de verdachte zelfs ziek uitgevallen op haar werk. Weliswaar heeft de verdachte ter zitting bekend dat hij heeft gebeld, de berichten heeft gestuurd en actief op zoek is geweest naar informatie over de familie van aangeefsters, maar toont hij weinig inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen en neemt daar op minimale wijze verantwoordelijkheid voor. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 7 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van ernstige verslavingsproblematiek en het ontbreekt de verdachte aan een steunend netwerk. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het middelengebruik, psychosociaal functioneren, sociaal netwerk en relatie met familie acht de reclassering delictgerelateerd en risicoverhogend. De reclassering heeft een langdurige klinische behandeling met aansluitend plaatsing in een begeleide
woonvorm overwogen, zodat uitgebreid diagnostisch onderzoek plaats kan vinden en de verdachte niet afhankelijk is van zijn ouders voor huisvesting. Gezien de houding van de verdachte en diens afkeer van forensische interventies is dit momenteel echter niet haalbaar en uitvoerbaar. De reclassering adviseert om de verdachte bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Wel adviseert de reclassering een contact en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Het betreft dan een contactverbod met de aangeefsters en alle medewerkers van de gemeente Leiden en een locatieverbod voor het stadhuis van de Gemeente Leiden (Stadhuisplein 1, 2311 EJ Leiden) en het stadskantoor aan de Bargelaan 190 te Leiden.
De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het trajectconsult van 4 juli 2025 en het trajectconsult van 22 juli 2025. Deze consulten hebben in een vroeg stadium van de strafzaak plaatsgevonden en bevatten geen diagnostische conclusies waar de rechtbank in haar besluitvorming rekening mee kan houden.
Toerekenbaarheid
Ten aanzien van de toerekenbaarheid overweegt de rechtbank dat zij in deze zaak niet beschikt over een rapportage waarin bij verdachte een stoornis is vastgesteld door een deskundige. Tevens is niet bekend of en in hoeverre, als die stoornis al aanwezig is, deze doorgewerkt heeft in het tenlastegelegde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De op te leggen straffen
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de modaliteit gevangenisstraf (deels onvoorwaardelijk) en daarnaast een taakstraf, gelet op de ernst van de feiten, in het bijzonder het uiterst indringende handelen van de verdachte, passend en geboden is.
De rechtbank zal een gevangenisstraf voor de duur van 228 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf de door de officier van justitie gevorderde voorwaarde van een contactverbod met de aangeefsters verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden hen op welke manier dan ook te benaderen en zo de kans op recidive terug te dringen.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een contactverbod op leggen met betrekking tot alle medewerkers van de gemeente Leiden. De verdachte heeft op dit moment woonplaats in Leiden, bij zijn ouders. De rechtbank constateert dat zich sinds de schorsing van 27 oktober 2025 geen incidenten meer hebben voorgedaan. Ook de verdachte moet zich als burger tot de gemeente kunnen wenden. Gelet hierop acht de rechtbank de oplegging van een contactverbod met
allemedewerkers van de gemeente thans niet proportioneel. Om deze reden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een locatieverbod voor het Stadhuis en het Stadskantoor op te leggen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] .
Gelet op de dreigende taal van de verdachte en het feit dat hij er niet voor terugdeinst om fysiek op zoek te gaan naar mensen in de buurt van de slachtoffers is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregelen
De rechtbank ziet naast de op te leggen (deels voorwaardelijke) straf met bijzondere voorwaarden aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen. In het geval dat het voorwaardelijk deel van de aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, dient daarnaast nog een vangnet te zijn zodat de verdachte geen contact mag opnemen met de aangeefsters. Dit vangnet kan – ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten – door middel van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr worden vormgegeven. Deze maatregel wordt voor iedere aangeefster
afzonderlijkopgelegd aan de verdachte, waardoor dus sprake is van drie vrijheidsbeperkende maatregelen.
Deze maatregelen houden in dat de verdachte gedurende een periode van twee jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag zoeken of hebben met aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] . De vervangende hechtenis wordt vastgesteld op twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank beslist verder dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank moet er – mede gelet op het eerder overwogene – ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover bepaalde personen, te weten de aangeefsters.