ECLI:NL:RBDHA:2026:19821

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
SGR 23/3984
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen aanmaningskosten naheffingsaanslag BPM en afwijzing vergoeding immateriële schade

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanmaningskosten van €18 die door verweerder in rekening zijn gebracht vanwege het uitblijven van betaling van een naheffingsaanslag BPM. Verweerder handhaafde deze kosten bij uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat eiser in de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van zijn recht om gehoord te worden, zodat de hoorplicht niet is geschonden.

Eiser stelde dat er geen dwangbevel kon worden opgelegd zolang de bodemprocedure tegen de naheffingsaanslag loopt, maar de rechtbank stelt vast dat eiser geen apart verzoek om uitstel van betaling heeft ingediend, wat volgens het vaste beleid vereist is. Het Unierecht verplicht niet tot automatisch uitstel van betaling bij het indienen van een beroepschrift.

Verder is het verzoek van eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De redelijke termijn is weliswaar overschreden, maar het financieel belang bedraagt minder dan €1.000, waardoor volgens recente jurisprudentie van de Hoge Raad geen recht op vergoeding bestaat. Ook een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanmaningskosten BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Den haag

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/3984
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 september 2022 aan eiser, vanwege het uitblijven van de betaling van een naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm), een aanmaning verzonden en daarbij is een bedrag van €18 aanmaningskosten in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 mei 2023 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanmaningskosten in stand gelaten. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten aan eiser vergoed.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] .

Overwegingen

Feiten
1. De Inspecteur heeft aan eiser(es) met dagtekening 18 juni 2021 een naheffingsaanslag belastingen personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd. De hoogte van de naheffingsaanslag bedraagt € 2.540.
2. Op 19 juli 2022 doet de Inspecteur uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag bpm. Door deze uitspraak op bezwaar is, voor zover hiervan sprake was, uitstel van betaling geëindigd.
3. Op 12 augustus 2022 heeft eiser beroep ingediend tegen de hiervoor genoemde uitspraak op bezwaar.
4. Op 23 september 2022 ontvangt eiser een aanmaning.
5. Bij bezwaar van 7 oktober 2022 tegen de aanmaningskosten vraagt eiser om uitstel van betaling.
6. Eiseres heeft uitstel van betaling verkregen.
7. Bij uitspraak van 10 mei 2023 handhaaft verweerder de aanmaningskosten.
Geschil8. In geschil is of verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser en of er recht is op proceskostenvergoeding. Daarnaast is in geschil of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht.
9. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
De hoorplicht in bezwaar is geschonden;
De aanmaning is onterecht opgelegd omdat er nog een procedure tegen de naheffingsaanslag loopt;
Eiser heeft recht op een integrale proceskostenvergoeding.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Verder wil eiser een proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de hoorplicht in de bezwaarfase (grief a)
12. Verweerder heeft (de gemachtigde) van eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek,. Op 10 maart 2023 heeft er een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser in de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het recht gehoord te worden, wat ertoe leidt dat de hoorplicht derhalve niet is geschonden. De grief faalt.
De aanmaning en de bodemprocedure (grief b)
13. Eiser stelt dat de bodemprocedure tegen de naheffingsaanslag nog loopt en dat er daarom geen dwangbevel kan worden opgelegd. Verweerder stelt dat er een apart verzoek om uitstel van betaling had moeten worden gedaan.
14. In paragraaf 25.2.2 van de Leidraad Invordering 2008 staat, kort weergegeven, dat een gemotiveerd bezwaarschrift automatisch wordt aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling, maar dat dat niet geldt voor een beroepschrift. In dat geval moet een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling worden ingediend.
15. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij niet heeft verzocht om uitstel van betaling. Eiser wordt vertegenwoordigd door een professionele rechtsbijstandverlener die geacht mag worden op de hoogte te zijn van de benodigde formaliteiten om op grond van het vaste beleid uitstel van betaling te krijgen. Niet valt in te zien waarom verweerder de invordering van het openstaande belastingbedrag in dit geval niet verder ter hand had moeten nemen. De stelling van eiser mist feitelijke grondslag. Anders dan eiser kennelijk beoogt te stellen dwingt het Unierecht er niet toe dat het indienen van een beroepschrift automatisch, dat wil zeggen zonder verzoek van eiser, tot uitstel van betaling leidt. Dat standpunt mist steun het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Ten aanzien van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief c)
16. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen reeds daarom niet kunnen worden vastgesteld. Van schending van het Unierecht is naar het oordeel van de rechtbank overigens geen sprake. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
18. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan belanghebbende betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
20. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
21. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 20 april 2026 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet.
22. Nu het financieel belang in onderhavige procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).
23. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K. D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).