ECLI:NL:RBDHA:2026:1984
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in gezinsherenigingszaak
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin haar bezwaarschrift tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging ongegrond werd verklaard.
Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter overweegt dat bij een eerdere uitspraak op hetzelfde beroep (zaaknummer NL25.31681) reeds een beslissing is genomen, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Tevens is niet gebleken dat het verzuim van verzoekster om tijdig gronden in te dienen verschoonbaar is, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep.