ECLI:NL:RBDHA:2026:1987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL23.727
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep buiten termijn

Verzoeker heeft twee keer beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was. Het eerste beroep werd ongegrond verklaard door de rechtbank Rotterdam. Vervolgens stelde verzoeker op 9 januari 2023 een tweede beroep in, dat buiten de wettelijke beroepstermijn van één week viel.

Dit tweede beroep werd op 19 januari 2023 ingetrokken, waarna verzoeker een proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank stelt vast dat het tweede beroep niet-ontvankelijk zou zijn verklaard indien het niet was ingetrokken vanwege de termijnoverschrijding.

Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan een verzoek om proceskostenvergoeding worden toegewezen indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan de indiener tegemoet is gekomen. Dit was hier niet het geval. Daarom wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen en de proceskostenvergoeding geweigerd.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep buiten de wettelijke termijn was ingesteld en kennelijk ongegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.727

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 23 november 2022 bepaald dat verzoekers asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Op 29 november 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 16 december 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2022:11032). Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Op 9 januari 2023 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen het bestreden besluit .
Op 10 januari 2023 is eiser overgedragen aan Duitsland.
Verzoeker heeft het beroep van 9 januari 2023 ingetrokken op 19 januari 2023 en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat thans ter beoordeling ligt het door verzoeker op 9 januari 2023 ingestelde beroep, dat op 19 januari 2023 is ingetrokken. Uit het procesverloop blijkt dat verzoeker twee keer beroep heeft ingesteld tegen hetzelfde bestreden besluit. Bovendien is het tweede beroep van 9 januari 2023 ingesteld buiten de wettelijke beroepstermijn van één week. Het tweede beroep van verzoeker zou dan ook niet-ontvankelijk zijn verklaard als hij zijn beroep niet had ingetrokken.
3. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.