ECLI:NL:RBDHA:2026:19999

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37329
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de gronden voor de bewaring en stelt dat deze inherent zijn aan zijn positie als asielzoeker en geen onderduikrisico vormen.

De rechtbank stelt vast dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, zich niet aan verplichtingen heeft gehouden, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Deze feiten rechtvaardigen het aannemen van een onderduikrisico. De minister heeft bovendien voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat, mede omdat eiser niet wil terugkeren naar Italië.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom eveneens afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter W.A. Berghuis op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
  • Awb: Algemene wet bestuursrecht
  • Vw: Vreemdelingenwet 2000
  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Habtab als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. [3] In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. [4]
3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring [7] .
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt dat deze gronden inherent zijn aan zijn positie als asielzoeker en dat deze gronden geen risico tot onderduiken vormen.
6. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist zijn en de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Eiser is zonder toestemming van Italië naar Nederland gereisd, waardoor hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verder heeft eiser geen documenten, staat hij niet ingeschreven in het BRP of GBA en beschikt hij niet over voldoende financiële middelen of een geregistreerd inkomen uit arbeid o.i.d. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p, 2r en 2s voldoende gemotiveerd heeft om een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring kon worden volstaan. Hierbij wijst eiser erop dat hij op de dag dat hij in Nederland aankwam, direct werd aangehouden.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onderduiken bestaat. Verder heeft eiser verklaard dat hij niet terug wil naar Italië en dat de enige mogelijkheid dan ook gedwongen vertrek is. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
4.Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
5.Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.