ECLI:NL:RBDHA:2026:20000

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37333
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en identiteitsonzekerheid

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister legde deze maatregel op vanwege onzekerheid over de identiteit en nationaliteit van eiser en het risico dat hij zou onderduiken.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Hoewel eiser stelt dat zijn identiteit reeds in 2016 is vastgesteld met een Egyptisch paspoort, kan hij geen geldig identiteitsbewijs overleggen en weigert hij contact met de Egyptische autoriteiten. Daarnaast is sprake van een onderduikrisico vanwege eerdere vertrek zonder bekende bestemming en het niet naleven van terugkeerverplichtingen.

De rechtbank stelt vast dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel, zoals plaatsing op een AZC, volstaat. Eerder toegepaste lichtere maatregelen hebben niet geleid tot vertrek van eiser. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter W.A. Berghuis en griffier S.N. Lekatompessij op 17 juli 2026. Eiser kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37333

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
  • Awb: Algemene wet bestuursrecht
  • Vw: Vreemdelingenwet 2000
  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.V. Blom-Apreleva als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. [3] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb zich voordoen. [4]
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [5]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De minister heeft ter zitting de grond onder 2a laten vallen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de overige gronden feitelijk juist zijn en de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p en 2s voldoende gemotiveerd heeft om een onderduikrisico aan te nemen.
Grondslag
7. Eiser stelt dat de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw ondeugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat de vreemdelingenbewaring niet noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit omdat zijn identiteitsgegevens reeds bekend zijn. In 2016 zijn eisers identiteit en nationaliteit vastgesteld aan de hand van een Egyptisch paspoort. Dat eisers paspoort inmiddels is verlopen, maakt niet dat zijn gegevens opeens onbekend zijn. Ook stelt eiser dat de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ondeugdelijk is gemotiveerd.
8. De rechtbank volgt dit niet. Eiser kan geen documenten ter onderbouwing van zijn gestelde identiteit of nationaliteit overleggen anders dan een in 2021 verlopen paspoort. Eiser heeft geen poging gedaan om aan een nieuw identiteitsdocument te komen. Eiser geeft aan dat hij geen contact wil met de autoriteiten van Egypte. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank niet in waarom de a-grond niet aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Verder is eiser meermaals met onbekende bestemming vertrokken en heeft hij zich niet aan zijn terugkeerverplichting voldaan. Dat eiser stelt dat hij dit nu niet zou doen, doet niet af aan het onderduikrisico wat volgt uit het vorenstaande en uit de gronden onder 2p en 2s. De minister heeft de b-grond dus terecht ten grondslag aan de maatregel van vreemdelingenbewaring gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Eiser had bijvoorbeeld op een AZC geplaatst kunnen worden.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onderduiken bestaat. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken, heeft geen documenten, heeft onvoldoende middelen van bestaan en een eerder lichter middel heeft niet geleid tot eisers vertrek. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.