ECLI:NL:RBDHA:2026:20001

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37589
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt of de maatregel rechtmatig is en of toekenning van schadevergoeding gerechtvaardigd is.

De minister heeft de maatregel opgelegd omdat eiser niet op voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, een asielaanvraag heeft ingediend die als kennelijk ongegrond is afgewezen, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser betwist deze gronden, onder meer met het argument dat hij als asielzoeker niet op voorgeschreven wijze kan binnenkomen en dat zijn paspoort gestolen is.

De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 2019 in de EU verblijft zonder melding van onrechtmatig verblijf, dat zijn asielaanvraag op 30 april 2026 is afgewezen, dat hij weigert met consulaire vertegenwoordigers te spreken en dat hij niet is ingeschreven in het BRP. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat minder dwingende maatregelen niet toereikend zijn en dat er een onderduikrisico bestaat.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is opgelegd en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37589

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving
  • Awb: Algemene wet bestuursrecht
  • Vw: Vreemdelingenwet 2000
  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.A. Fawzy als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. [3] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb zich voordoen. [4]
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [5]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden onder 2a, 2c, 2j, 2r en 2s die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser voert ten aanzien van de grond onder 2a aan dat voor hem als asielzoeker geen mogelijkheid bestaat om op voorgeschreven wijze binnen te komen. Ten aanzien van de grond onder 2c voert eiser aan dat zijn paspoort is gestolen en dat hij hier aangifte van heeft gedaan. Voor de motivering van de grond onder 2j is de enkele feitelijke benoeming dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard onvoldoende. De minister dient ook deugdelijk te motiveren dat sprake is van een risico op onderduiken. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 [6] . Verder voert eiser ten aanzien van de grond onder 2r nog aan dat het als asielzoeker niet mogelijk is om je in te schrijven in het BRP en ten aanzien van de grond onder 2s dat hij heeft gewerkt en van zijn moeder regelmatig geld ontvangt.
6. De rechtbank is van oordeel dat alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd feitelijk juist zijn en de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Eiser beschikt niet over een grensoverschrijdingsdocument. Uit het dossier volgt dat eiser sinds 2019 in de EU verblijft, nooit een melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf en pas op 27 december 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser verklaart dat zijn paspoort is gestolen en daar aangifte van heeft gedaan, maar daarvan is niets in de politiesystemen te vinden. Ook weigert eiser om met een consulair vertegenwoordiger van zijn land van herkomst in gesprek te gaan. Eisers asielaanvraag van 27 december 2025 is op 30 april 2026 als kennelijk ongegrond afgewezen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p, 2r en 2s voldoende gemotiveerd heeft om een onderduikrisico aan te nemen. Hieruit volgt onder andere dat eiser niet over documenten beschikt, niet aan zijn meldplicht heeft voldaan, niet staat ingeschreven in het BRP of GBA en dat hij niet beschikt over voldoende financiële middelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.