ECLI:NL:RBDHA:2026:20004

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.55365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8 EVRMArt. 8:41a AwbArt. 8:72 AwbArt. 26 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden met onjuiste ingangsdatum

Eiseres vroeg op 28 oktober 2023 een reguliere verblijfsvergunning aan op tijdelijke humanitaire gronden nadat haar zoon meerderjarig werd. De minister wees de aanvraag aanvankelijk af, maar verleende na bezwaar de vergunning met ingang van 24 september 2025, de datum van de hoorzitting.

De rechtbank oordeelt dat eiseres al bij de aanvraag voldeed aan de voorwaarden, onderbouwd met medische en schoolverklaringen over de afhankelijkheid van haar zoon. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom de ingangsdatum later werd vastgesteld.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de latere ingangsdatum betreft en bepaalt dat de vergunning moet ingaan op de datum van de aanvraag, 28 oktober 2023. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, inclusief kosten van de bezwaarfase.

De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler op 8 juli 2026 en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.

Uitkomst: De verblijfsvergunning wordt toegekend met ingang van de datum van de aanvraag, 28 oktober 2023.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55365

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1. De minister heeft aan eiseres een verblijfsvergunning verleend. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de verblijfsvergunning heeft verleend met de juiste ingangsdatum. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet is uitgegaan van de juiste ingangsdatum bij het verlenen van de verblijfsvergunning. Het beroep is gegrond. Dat betekent dus dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 28 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van
16 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en de verblijfsvergunning aan eiseres verleend met ingang van 24 september 2025.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Majdoub als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eiseres heeft een zoon met de Nederlandse nationaliteit. Eiseres had verblijfsrecht in Nederland op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat haar zoon minderjarig was, de Nederlandse nationaliteit heeft en hij van eiseres afhankelijk is. Omdat de zoon van eiseres meerderjarig is geworden heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’.
6. De minister heeft met het bestreden besluit de verblijfsvergunning verleend met ingang van 24 september 2025. Volgens de minister wordt van deze ingangsdatum uitgegaan, omdat eiseres pas tijdens de hoorzitting van 24 september 2025 heeft aangetoond dat zij voldoet aan alle voorwaarden voor de verblijfsvergunning.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres vindt dat de minister de verblijfsvergunning had moeten verlenen met ingang van 28 oktober 2023, de datum van de aanvraag van de verblijfsvergunning. Volgens eiseres voldeed zij bij de aanvraag al aan de voorwaarden en heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de verblijfsvergunning is verleend met ingang van een latere datum. Omdat de minister haar aanvraag met het primaire besluit van 2 mei 2024 ten onrechte heeft afgewezen wil eiseres een vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in de bezwaarfase.
De ingangsdatum van de verblijfsvergunning
8. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de minister de verblijfsvergunning verleent met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet. [1] Verder blijkt uit Werkinstructie 2020/16 van de minister dat in aanvulling op dat uitgangspunt bij aanvragen waarin een beroep wordt gedaan op het recht op familie- en gezinsleven [2] , de ingangsdatum ook na het beroep op dat recht kan liggen als pas op die latere datum doorslaggevende informatie wordt overgelegd die van belang is voor het verlenen van de verblijfsvergunning. De ingangsdatum hangt in dat geval alleen af van informatie waarvan het evident is dat zonder die informatie geen goede belangenafweging had kunnen worden gemaakt. [3]
9. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat eiseres op de hoorzitting van
24 september 2025 voldeed aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning. In aanloop naar de hoorzitting heeft eiseres een Best Interests of the Child-Assessment overgelegd. Volgens de minister voldeed eiseres aan de voorwaarden nadat zij dit rapport heeft overgelegd en tijdens de hoorzitting een nadere toelichting heeft gegeven op haar rol bij de behandeling van haar zoon voor zijn psychische klachten, hoe die rol bijdraagt aan het succes van de behandeling en de afhankelijkheid tussen hen. De feiten die eiseres aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd waren naar het oordeel van de minister nog onvoldoende om aan de voorwaarden te voldoen. De minister heeft de aanvraag daarom met het primaire besluit van 2 mei 2024 afgewezen.
10. De rechtbank kan het standpunt van de minister dat pas op de hoorzitting zou zijn voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning niet volgen. Eiseres heeft bij haar aanvraag als feiten en omstandigheden aangevoerd dat sprake is van een grote afhankelijkheid tussen haar en haar zoon. Uit de bij de aanvraag overgelegde stukken komt al voldoende naar voren dat de zoon van eiseres in grote mate afhankelijk is van eiseres op niet alleen emotioneel gebied, maar ook voor opvoeding, verzorging en ondersteuning bij de behandeling van zijn psychologische problemen. Zo komt in het behandelplan en de verklaring van de gedragswetenschapper van [naam] naar voren dat de zoon van eiseres ondersteuning nodig heeft bij het verwerken van zijn trauma’s en bij het overlijden van zijn vader in Nederland en dat eiseres de enige persoon is die hem daarbij ondersteuning kan bieden. Ook uit de verklaring van de school waar de zoon van eiseres heengaat blijkt dat hij voor verzorging volledig is aangewezen op eiseres, omdat zijn vader is overleden en hij verstoord contact heeft met zijn andere familieleden die in Nederland wonen. Dat volgens de minister pas op de hoorzitting duidelijk is geworden welke rol eiseres speelt in het leven en de medische behandeling van haar zoon kan de rechtbank dan ook niet volgen, omdat deze feiten en omstandigheden al zijn aangevoerd bij de aanvraag en toen ook al een onderbouwing is gegeven van die feiten en omstandigheden. De verklaringen van eiseres tijdens de hoorzitting zijn dan ook geen nieuwe feiten en omstandigheden, maar zijn een nadere toelichting van feiten en omstandigheden die eiseres al bij de aanvraag heeft aangevoerd en onderbouwd. De beroepsgrond slaagt en het beroep is daarom gegrond.
De kosten van de bezwaarfase
11. Eiseres heeft de minister verzocht om de kosten van het bezwaar te vergoeden. De minister heeft dit verzoek afgewezen, omdat hij vindt dat het primaire besluit van
2 mei 2024 niet is herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. In de bezwaarfase zijn namelijk feiten en omstandigheden bekend geworden waardoor tot een ander besluit is gekomen en het primaire besluit is herroepen. Het primaire besluit is daarom niet herroepen vanwege een aan de minister te wijten onrechtmatigheid. Gelet op het oordeel van de rechtbank in overweging 10 van deze uitspraak kan deze redenering van de minister geen stand houden en is wel degelijk sprake van een aan de minister te wijten onrechtmatigheid zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister zal daarom alsnog de kosten van het bezwaar aan eiseres moeten vergoeden.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de verblijfsvergunning is verleend met als ingangsdatum
24 september 2025. Omdat de rechtbank het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht [4] neemt de rechtbank nu zelf een beslissing [5] en bepaalt dat de verblijfsvergunning aan eiseres wordt verleend met als ingangsdatum 28 oktober 2023.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting bij de rechtbank heeft deelgenomen. Ook heeft eiseres verzocht om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Gelet op het oordeel van de rechtbank in overweging 11 van deze uitspraak komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.332,- omdat de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de hoorzitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 oktober 2025 voor zover daarin is beslist dat aan eiseres een verblijfsvergunning wordt verleend met als ingangsdatum 24 september 2025;
- bepaalt dat de verblijfsvergunning aan eiseres wordt verleend met als ingangsdatum
28 oktober 2023 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194.- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
3.Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 van Pro het EVRM, par. 11.3.
4.Dat volgt uit artikel 8:41a, derde lid, van de Awb.
5.Zie artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.