ECLI:NL:RBDHA:2026:20017
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij uitstel van vertrek vreemdeling
Verzoekster heeft op 15 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister van Asiel en Migratie heeft dit verzoek op 24 juni 2025 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister handhaafde de afwijzing bij besluit van 18 november 2025.
Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Tijdens de behandeling van het beroep heeft verzoekster tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 7 mei 2026 behandeld, waarbij partijen zich afgemeld hebben voor de zitting.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat nu de rechtbank bij uitspraak van 8 juni 2026 op het beroep heeft beslist, een voorlopige voorziening niet langer nodig is. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan op het beroep.