ECLI:NL:RBDHA:2026:20030
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak ongewenstverklaring
De minister van Asiel en Migratie heeft op 3 juli 2024 vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en hem ongewenst verklaard met de verplichting Nederland te verlaten. Op 29 december 2025 verklaarde de minister het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Op 7 mei 2026 behandelde de voorzieningenrechter het verzoek samen met het hoofdberoep. Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, de gemachtigde van de minister en een tolk aanwezig. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de hoofdzaak is behandeld en uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet meer nodig is.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 8 juni 2026 in het openbaar bekendgemaakt en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.