ECLI:NL:RBDHA:2026:20034
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielprocedure na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 30 januari 2026 in de algemene procedure is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 27 mei 2026 samen met de hoofdzaak (zaaknummer NL26.6283). Tijdens de zitting waren de gemachtigden van beide partijen aanwezig, terwijl verzoeker en tolk telefonisch deelnamen.
Bij uitspraak van dezelfde dag in de hoofdzaak heeft de rechtbank uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Om die reden wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter B. Fijnheer en griffier F.J. Attema op 17 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.