ECLI:NL:RBDHA:2026:20037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.18426
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking asielbesluit

Verzoeker diende op 25 november 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag bij besluit van 31 maart 2025 af als ongegrond. Verzoeker stelde op 21 april 2025 beroep in tegen dit besluit. Vervolgens trok de minister het besluit bij brief van 23 maart 2026 in.

Verzoeker verzocht de rechtbank het beroep te beschouwen als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en de minister te veroordelen in de proceskosten. Op 20 april 2026 werd de asielaanvraag alsnog ingewilligd, waarna verzoeker het beroep introk en de proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat de minister geheel aan verzoeker was tegemoetgekomen door de asielaanvraag alsnog te honoreren. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelde de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten, berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.M. Dijksterhuis en griffier F.J. Attema op 8 juni 2026, zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het asielbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18426

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Hijma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: M.G. Meyboom-de Jong).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten
2. Verzoeker heeft op 25 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze asielaanvraag bij besluit van 31 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Verzoeker heeft op 21 april 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. De minister heeft het besluit bij brief van 23 maart 2026 ingetrokken.
3. Verzoeker heeft de rechtbank vervolgens verzocht om het beroep te beschouwen als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en de minister te veroordelen in de voor het beroep gemaakte proceskosten.
4. Op 20 april 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd. Als gevolg van de inwilliging heeft verzoeker het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
5. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
8. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de minister tegemoetgekomen aan het beroep niet tijdig van verzoeker door de asielaanvraag hangende het beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog in te willigen.
9. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juni 2026.

Informatie over verzet

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).