ECLI:NL:RBDHA:2026:20041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.53511
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitstel van vertrek op medische gronden na BMA-advies bevestigd

Eiseres, een Afghaanse vrouw, vroeg uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege ernstige psychische klachten. De minister wees haar aanvraag af op basis van een medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) uit november 2024, waarin werd geconcludeerd dat zij onder voorwaarden kan reizen en geen medische noodsituatie te verwachten is.

Eiseres voerde aan dat het BMA-advies verouderd is en dat gedwongen terugkeer tot een verslechtering van haar gezondheid zou leiden, in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. Ook stelde zij dat terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk niet meer mogelijk is en dat haar gezinsleven onvoldoende is meegewogen, waarbij zij tevens een schending van de hoorplicht aanvoerde.

De rechtbank oordeelde dat het BMA-advies ondanks de leeftijd geldig blijft omdat geen nieuwe medische informatie is aangeleverd die de situatie wijzigt. De minister heeft het advies zorgvuldig en inzichtelijk toegepast. Verder is niet gebleken dat terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk uitgesloten is. De gezinsband met haar zus is onvoldoende om op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsvergunning te rechtvaardigen. De rechtbank vond dat de minister terecht van horen kon afzien.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot afwijzing van het uitstel van vertrek in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek op medische gronden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53511

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek op grond van medische redenen als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 15 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer: NL25.28068), op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres en de gemachtigde van eiseres zijn – met kennisgeving voorafgaand aan de zitting – niet verschenen. Ook de gemachtigde van de minister is met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
6. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 24 februari 2023 een aanvraag asiel ingediend die de minister bij besluit van 30 september 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het Verenigd Koninkrijk als veilig derde land geldt. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd. [1] Na het advies van Bureau Medisch Advisering (BMA) op 18 november 2024 heeft de minister de asielaanvraag bij besluit van 6 februari 2025 opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit staat in rechte vast. [2]
7. Eiseres heeft op 15 oktober 2024 een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw vanwege medische klachten.
Het BMA-advies en het bestreden besluit
8. De minister vindt dat eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft zich hierbij opnieuw gebaseerd op het BMA-advies van 18 november 2024.
9. Uit het BMA-advies volgt dat eiseres bekend is met een posttraumatische stressstoornis, een recidiverende depressieve stoornis en een angststoornis. Eiseres staat onder actieve behandelingen hiervoor. Verder blijkt uit het advies dat bij het uitblijven van de in het BMA-advies genoemde behandelingen op termijn (drie tot zes maanden) geen medische noodsituatie wordt verwacht. Onder voorwaarden wordt eiseres geacht te kunnen reizen. Daarbij is begeleiding door een voor haar vertrouwd persoon of een psychiatrisch verpleegkundige noodzakelijk. Vanwege het risico op een mogelijke toename van suïcidaliteit bij een gedwongen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk, wordt een fysieke overdracht aan een psychiater aanbevolen. Daarnaast wordt geadviseerd dat eiseres een schriftelijke overdracht van haar medische gegevens meeneemt, haar medicatie tijdens de reis voortzet en voldoende medicatie bij zich heeft om de gehele reisperiode te overbruggen.
10. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd, waardoor het BMA-advies van 18 november 2024 opnieuw ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. De minister werpt ook tegen dat eiseres geen contra-expertise heeft overgelegd. Bovendien ziet de minister geen aanknopingspunten om te twijfelen aan deze reisvoorwaarden. Daarnaast verwijst de minister naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 26 maart 2025 (NL25.6255), waarin is overwogen dat de medische problemen van eiseres geen beletsel vormen voor haar gedwongen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit aan eiseres opgelegd, gericht op vertrek naar het Verenigd Koninkrijk, met een vertrektermijn van vier weken. Volgens de minister geldt dit terugkeerbesluit nog steeds.
11. Eiseres betwist het bestreden besluit en voert daartoe diverse beroepsgronden aan. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hierna.
Totstandkoming van het BMA-advies en de vergewisplicht
12. Eiseres voert aan dat de minister het BMA-advies van 18 november 2024 niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen, omdat het advies ouder is dan zes maanden. Eiseres stelt dat gedwongen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk tot een dusdanige verslechtering van haar situatie zou leiden dat dit in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de brief van haar behandelaar bij [zorginstelling] van 1 oktober 2024 en achtergrondinformatie van de psychiater. In dit verband beroept eiseres zich ook op het arrest X van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 november 2022. [3] Verder voert eiseres voert aan dat het aan de minister is om aan te tonen dat de reisvoorwaarden voorkomen dat zich een suïciderisico voordoet. Het is namelijk aan de autoriteiten om elke serieuze twijfel over de gevolgen van de overdracht voor de gezondheid weg te nemen. [4] Volgens eiseres is het BMA-advies op dit punt niet duidelijk, inzichtelijk en overtuigend.
13. De rechtbank overweegt dat het BMA protocol adviseert om geen beslissingen te nemen op basis van een medisch advies ouder dan zes maanden, omdat de medische situatie van de vreemdeling in die tijd gewijzigd kan zijn. [5] Wanneer echter binnen of na deze periode wordt aangetoond dat de medische situatie ongewijzigd is, adviseert het BMA protocol geen nieuw adviesverzoek in te dienen en behoudt het advies zijn geldigheid. De rechtbank overweegt verder dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de minister zich ervan dient te vergewissen dat een BMA-advies dat aan zijn besluitvorming ten grondslag ligt, naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. [6] Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit op het BMA-advies van 18 november 2024 mocht baseren. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd op basis waarvan gegronde twijfel bestaat over de juistheid en volledigheid van dit advies. Alle medische problemen van eiseres zijn betrokken bij het advies. Eiseres verwijst in haar beroepsgronden weliswaar naar een brief van haar behandelaar bij [zorginstelling] , waaruit blijkt dat haar klachten zullen toenemen bij gedwongen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk, maar uit het BMA-advies blijkt dat deze brief is meegenomen bij de beoordeling. Eiseres heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar situatie na het uitbrengen van het advies is veranderd. Gelet hierop is niet gebleken van een gewijzigde situatie waaruit moet worden geconcludeerd dat niet langer van het BMA-advies van 18 november 2024 kan worden uitgegaan. In zoverre volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat het advies verouderd is.
15. In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat het advies bovendien zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De rechtbank overweegt hiertoe dat in het BMA-advies is opgenomen dat eiseres onder voorwaarden in staat is om te reizen en dat naar verwachting geen levensbedreigende situaties zullen ontstaan. Ten aanzien van de verhoogde kans op oplopende spanningen en angsten met als gevolg een verhoogde kans op suïcidaliteit bij een gedwongen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk, heeft het BMA geadviseerd dat een fysieke overdracht aan een psychiater dient plaats te vinden. Gelet hierop heeft de minister wel degelijk rekening gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de uitzetting kunnen voortvloeien, zoals bedoeld in het arrest X. De minister heeft het BMA immers gevraagd of de vreemdeling, gelet op haar medische toestand, kan reizen en welke reisvereisten in dat verband moeten worden gesteld. Dat sprake zal zijn van een schending van artikel 4 Handvest Pro volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk
16. Eiseres voert verder aan dat er niet langer vanuit gegaan kan worden dat zij kan terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft namelijk te horen gekregen dat zij geen recht meer heeft op verblijf in het Verenigd Koninkrijk, omdat zij langer dan twee jaar geleden het Verenigd Koninkrijk heeft verlaten. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een document overgelegd. Daarnaast heeft de minister geen rekening gehouden met de traumatische gebeurtenissen die eiseres in het Verenigd Koninkrijk heeft meegemaakt, terwijl uit het eerder genoemde arrest X blijkt dat alle relevante factoren moeten worden meegewogen.
17. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt dat er niet langer vanuit gegaan kan worden dat zij kan terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Daartoe verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 26 maart 2025 [7] , waarin is overwogen dat het verlopen van de verblijfsvergunning van eiseres niet betekent dat vaststaat dat zij geen toegang meer tot het Verenigd Koninkrijk zal krijgen. Net als in die uitspraak is ook in deze zaak niet gebleken dat het uitgesloten is dat eiseres opnieuw in het bezit van een verblijfsvergunning zal worden gesteld. Om die redenen ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft in die uitspraak ook geoordeeld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden – onder andere dat zij in het Verenigd Koninkrijk als slaaf is behandeld – reeds zijn meegewogen bij de beoordeling van haar medische problemen en dat deze geen beletsel vormen voor gedwongen terugkeer. In deze beroepsprocedure heeft eiseres geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht, zodat de rechtbank ook op dit punt geen aanleiding ziet voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM en schending van de hoorplicht
18. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gezinsleven met haar zus. Haar zus ondersteunt haar dagelijks en door de psychische klachten is sprake van bijzondere afhankelijkheid. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een verklaring van haar zus overgelegd. Eiseres stelt verder dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen. De minister had eiseres in bezwaar moeten horen, omdat er artikel 8 EVRM Pro-aspecten aan de orde zijn.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De enkele stelling dat vanwege haar psychische klachten sprake is van een bijzondere afhankelijkheid van haar zus is onvoldoende. De minister heeft kunnen overwegen dat tussen meerderjarige familieleden alleen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM als sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat uit het BMA-advies niet volgt dat er sprake is van een dergelijke afhankelijkheid. De rechtbank overweegt dat eiseres bovendien niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar medische situatie is gewijzigd, en daarmee mogelijk ook haar mate van afhankelijkheid.
20. De rechtbank overweegt verder dat horen weliswaar een essentieel onderdeel van de bezwaarfase vormt en daarvan slechts kan worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit [8] , maar eiseres heeft geen bijzondere en individuele omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat er onvoldoende rekening is gehouden met artikel 8 van Pro het EVRM. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van wat hiervoor is overwogen, mocht de minister afzien van horen. [9]

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bij uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 november 2024 (NL24.38489).
2.Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiseres ongegrond verklaard (NL25.6255), welke uitspraak in hoger beroep (202501905/2/V3) is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
3.X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, het Hof, 22 november 2022, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
4.Savran t. Denemarken, EHRM 7 december 2021, nr. 57467/15, ECLI:CE:ECHR:2021:1207.
5.Protocol Bureau Medische Advisering (BMA): Team Beoordeling en Medisch Advies (versie 2023).
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.
7.NL25.6255.
9.Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).