ECLI:NL:RBDHA:2026:20045

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09-241610-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor mishandeling en wapenbezit

De rechtbank Den Haag heeft op 14 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling van zijn ex-partner, vernieling, en het voorhanden hebben van een gaspistool met munitie.

De rechtbank sprak verdachte vrij van vernieling wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen. De mishandeling werd bewezen verklaard voor zover verdachte met een telefoon het gezicht van de aangeefster raakte, wat leidde tot een bloedneus. Het bijten werd niet bewezen geacht. Daarnaast werd het bezit van een gaspistool en 129 knalpatronen wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet bij de mishandeling, omdat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat letsel zou ontstaan door de telefoon krachtig uit de handen van de aangeefster te trekken. De strafmaat werd bepaald op 30 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 60 uur, rekening houdend met de ernst van de feiten, het blanco strafblad van verdachte en zijn zorg voor zijn minderjarige zoon.

De rechtbank wees het advies van de reclassering af vanwege het ontbreken van contact met verdachte en onvoldoende afstemming. De straf weerspiegelt de ernst van het handelen en dient als prikkel om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf en 60 uur taakstraf voor mishandeling en wapenbezit, vrijgesproken van vernieling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-241610-25
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. I. Huisman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L. Windhorst naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 en feit 3 op de terechtzitting van 30 juni 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Delft
[aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] te bijten in de arm, althans in het lichaam, en/of met een telefoon te slaan en/of duwen tegen het gezicht van die [aangeefster] ;
2
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Delft
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk meubels en/of gevels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] ,in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 3 mei 2025 te Delft
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 3 mei 2025 te Delft munitie van categorie III van de Wet wapens
en munitie, te weten 129 knalpatronen van het kaliber 9 mm PAK voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder feit 1 tenlastegelegde mishandeling, omdat de verdachte geen opzet zou hebben gehad op letsel bij de aangeefster en omdat niet kan worden bewezen dat hij de aangeefster heeft gebeten.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot de onder feit 2 tenlastegelegde vernieling eveneens vrijspraak bepleit, nu de verdachte hierin volgens de raadsvrouw geen aandeel heeft gehad.
Met betrekking tot de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was bij de vernieling, maar dat hij daar geen deel aan heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de bijdrage van de verdachte in de voorbereiding en/of uitvoering van het delict van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen. Op grond van hiervan is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. De rechtbank acht de ten laste gelegde vernieling dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Ten aanzien van feit 3 en feit 4 zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, zoals genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw voor dit feit geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025138591 van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 227).
Ten aanzien van feit 1
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 30 juni 2026, voor zover inhoudende:
Zij had zich omgedraaid om haar telefoon te beschermen. Ik wilde de telefoon afpakken. Toen heb ik op een sterke manier gepakt en heb ik met de telefoon haar neus geraakt. Daardoor was er bloed.
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 3 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 14):
Plaats delict: [adres 2]
Ik doe aangifte van mishandeling van mijn partner [verdachte] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 68):
Ik, verbalisant, heb een videofragment toegestuurd gekregen van aangeefster [aangeefster] . Hierop zou een gesprek te horen zijn tussen aangeefster [aangeefster] en verdachte [verdachte] . Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 18 april 2025. Aangezien het gesprek in het Engels wordt gevoerd, heb ik een tolk ingeschakeld.
[vrouw] En het bloed van mijn neus??
[man] Ik probeerde de telefoon uit je hand te nemen
4. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 6 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 121):
V: Ik heb een foto gezien van letsel in het gezicht, met een bloedneus, die is
gemaakt op 18 april 2025, wat kan je daar over verklaren?
A: Dat klopt. Ik heb haar niet geslagen. Ik zal eerlijk zijn. Ik heb geprobeerd haar
telefoon af te pakken. Ik stond achter haar. Ik probeerde haar telefoon af te pakken. Het was niet mijn bedoeling, maar zij wou de telefoon niet aan mij geven.
V: Hoe is die bloedneus dan ontstaan?
A: Zij hield de telefoon voor haar. Zij beet toen in mijn hand. Ik schrok hiervan. Dit was pijnlijk. Ik trok mijn hand met de telefoon naar achteren. Zij hield de telefoon met twee handen vast. Ik denk dat toen de telefoon in haar gezicht is gekomen.
V: Heb jij gezien dat zij hierna een bloedneus kreeg?
A: Ja
V: Begrijp je dat zij verklaart dat deze bloedneus door jou komt?
A: Ik begrijp dat wel.
Ten aanzien van de feiten 3 en 4
5. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 30 juni 2026;
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 mei 2025 (p. 48);
7. Het proces-verbaal van het Team forensische opsporing, opgemaakt op 4 mei 2025 (p. 165).
3.5.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1 – voorwaardelijk opzet
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling, omdat de verdachte geen voorwaardelijk opzet had op het letsel.
Bij het beoordelen van het verweer van de raadsvrouw stelt de rechtbank voorop dat van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu lichamelijk letsel – sprake is indien de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
In onderhavige zaak neemt de rechtbank bij het beoordelen van de vraag of sprake was van voorwaardelijk opzet in aanmerking dat de verdachte op de terechtzitting heeft verklaard dat hij de telefoon van de aangeefster wilde afpakken. Bij de worsteling die daarop volgde, heeft de verdachte de telefoon ‘op een sterke manier’ beetgepakt en is de telefoon tegen de neus van de aangeefster gekomen. Zij heeft hierdoor een bloedneus gekregen.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, komt de rechtbank op grond van deze omstandigheden tot de conclusie dat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van letsel. Door de telefoon met kracht uit de handen van de aangeefster te trekken, is een aanmerkelijke kans ontstaan dat hij letsel zou toebrengen aan de aangeefster die zich daar tegen verzette. Door hiermee door te gaan, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het intreden van letsel. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen. De rechtbank zal de tenlastegelegde mishandeling van de aangeefster, voor zover deze betrekking heeft op het slaan met een telefoon, wettig en overtuigend bewezen verklaren.
Partiële vrijspraak
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde bijten van de aangeefster. Gezien de ontkennende verklaring van de verdachte en het feit dat uit de foto van de bijtafdruk niet blijkt wanneer deze is toegebracht, staat de verklaring van de aangeefster op dit punt op zichzelf. Bij gebreke van andere bewijsmiddelen is onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde bijten in de arm c.q. het lichaam van de aangeefster te kunnen komen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 18 april 2025 te Delft [aangeefster] heeft mishandeld door met een telefoon te slaan tegen het gezicht van die [aangeefster] ;
3
hij op of omstreeks 3 mei 2025 te Delft een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 3 mei 2025 te Delft munitie van categorie III van de Wet wapens
en munitie, te weten knalpatronen van het kaliber 9 mm PAK voorhanden heeft gehad;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een meldplicht en een verplichting tot ambulante behandeling.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, bestaande uit de zorg voor zijn jonge zoon en het belang van het behouden van zijn baan. Daarnaast heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de verdachte het gaspistool nooit heeft gebruikt en niet zou hebben geweten dat het voorhanden hebben van een gaspistool in Nederland strafbaar is. Zij heeft de rechtbank verzocht daarmee in de strafmaat rekening te houden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-partner door haar in het gezicht te raken met een telefoon. Zij heeft daarbij pijn en letsel opgelopen. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool met knalpatronen in een woning. Het voorhanden hebben van een gaspistool brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. De aanwezigheid van vuurwapens vergroot het risico op escalatie van geweldsincidenten en vormt een bedreiging voor zowel de bezitter als voor anderen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 mei 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een retourmelding van de reclassering van 29 juni 2026. Het bleek niet mogelijk om met de verdachte in contact te komen voor het opstellen van een reclasseringsadvies. Gelet op de omstandigheid dat de aangeefster en de verdachte samen het ouderlijk gezag hebben over een minderjarige zoon, heeft de reclassering zorgen geuit. Voor het geval de verdachte bereid is om zich te conformeren, heeft de reclassering een meldplicht bij reclassering en ambulante behandeling geadviseerd.
De rechtbank zal dit advies niet overnemen. Uit de retourmelding blijkt dat de reclassering de verdachte voorafgaand aan de retourmelding niet heeft gesproken. Dit advies is daarmee onvoldoende afgestemd op de persoon van de verdachte, die evenmin de kans heeft gekregen zijn kant van het verhaal te belichten.
Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte woonachtig is bij zijn ouders, met wie hij een goede band heeft. De relatie met de aangeefster is beëindigd, waarna in overleg een omgangsregeling tot stand is gekomen. Het zoontje van de aangeefster en de verdachte verblijft wekelijks van donderdag tot en met zondag bij de verdachte.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het bewaren van een gaspistool een maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermeld. Voor de mishandeling van een (ex-)partner bestaan geen landelijke oriëntatiepunten anders dan dat een geldboete niet passend is.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdachte heeft een blanco strafblad. Verder heeft hij een deel van de week de zorg voor zijn zoontje, een afspraak die, naar het lijkt, in harmonie tussen hem en de aangeefster tot stand is gekomen. Dat ziet de rechtbank als positief.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van zestig uur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van dertig dagen passend en geboden. Door het opleggen van de taakstraf zal de verdachte consequenties ervaren van zijn strafbare handelen. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking gebracht. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarnaast als prikkel voor de verdachte om zich in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 300 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
ten aanzien van feit 4:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
30 (dertig) DAGEN;
bepaalt dat die straf
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
60 (zestig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
30 (dertig) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht
;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. K.M de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2026.