ECLI:NL:RBDHA:2026:2005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57403 en NL25.57404
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken relevante nieuwe elementen

Eiser, een Colombiaanse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 9 november 2025 een opvolgende asielaanvraag in. Deze aanvraag werd door verweerder op 22 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen relevante nieuwe elementen had aangevoerd die afdoen aan de eerdere afwijzing van zijn eerste asielaanvraag uit 2022.

Eiser stelde dat hij bedreigd werd door de ELN vanwege vrijwilligerswerk, en overhandigde diverse documenten, waaronder video's en verklaringen, ter onderbouwing. Verweerder achtte deze documenten niet relevant omdat zij geen concrete aanwijzingen bevatten dat eiser persoonlijk wordt vervolgd of dat er een directe dreiging bestaat.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser had tijdens het gehoor geen politieke activiteiten of overtuigingen naar voren gebracht, waardoor toetsing aan het beleid over politieke overtuiging niet noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk en wijst het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57403 (beroep) en NL25.57404 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 9 november 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 22 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser was hierbij aanwezig. De gemachtigde van verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Vorige procedure
2. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Op 24 april 2022 heeft eiser een eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de ELN [2] en door hen wordt bedreigd. Deze aanvraag is op 22 oktober 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond [3] omdat eisers gestelde problemen volgens verweerder niet geloofwaardig zijn en hij zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is tegen dit besluit tot afwijzing van de aanvraag in beroep gegaan. De rechtbank heeft dit beroep op 24 december 2024 ongegrond verklaard. [4] Eiser is hiertegen niet in hoger beroep gegaan. Het besluit van 22 oktober 2024 staat dus in rechte vast.
3. De onderhavige zaak gaat over de opvolgende asielaanvraag van eiser.
Het asielrelaas
4. Op 9 november 2025 heeft eiser de huidige opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat de groepering nog steeds achter hem en zijn broers aanzit vanwege het vrijwilligerswerk dat eiser heeft gedaan. Ter onderbouwing van zijn verrichte maatschappelijke activiteiten en de daardoor ondervonden bedreigingen heeft eiser aanvullende documenten ingebracht. Zo heeft eiser twee video’s overgelegd waarin de ELN over zijn familie zou spreken. Ook heeft eiser een video en een verklaring van zijn moeder over een poging tot inbraak ingediend. Verder heeft eiser documenten overlegd die zijn maatschappelijke activiteiten zouden ondersteunen.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. De door eiser overgelegde documenten worden door verweerder als nieuwe elementen gezien, maar verweerder vindt deze niet relevant omdat deze niets afdoen aan de overwegingen van de eerdere afwijzing. Zo onderbouwen de video’s van de ELN volgens verweerder het asielrelaas van eiser niet alsnog omdat de personen niet herkenbaar in beeld zijn en niet is vast te stellen waar, wanneer en onder welke omstandigheden de video’s zijn gemaakt. Ook de video van de gestelde inbraak en de verklaring van eisers moeder vindt verweerder niet relevant nu niet is af te leiden dat de ELN daarachter zat. Ook heeft de poging tot inbraak geen daadwerkelijke schade veroorzaakt en blijkt er geen directe dreiging uit voor eiser. Ten aanzien van de documenten die eisers maatschappelijke activiteiten zouden ondersteunen stelt verweerder zich op het standpunt dat deze documenten niet onderbouwen dat eiser persoonlijk wordt vervolgd door de ELN.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het beleid omtrent het hebben van een politieke overtuiging zoals vastgelegd in Werkinstructie 2024/10. Nu verweerder het geloofwaardig vindt dat eiser vrijwilligerswerk heeft gedaan, staat volgens eiser dan ook vast dat hij in de ogen van de ELN politieke activiteiten heeft verricht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk kon verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Heeft verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het beleid over politieke overtuiging, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier niet aan heeft hoeven toetsen. Eiser heeft immers tijdens het gehoor niet gesproken over politiek en hij heeft niet naar voren gebracht dat hij politieke activiteiten heeft ontplooid. Ook heeft eiser niet vermeld wat zijn politieke opvatting zou zijn. Dat eiser in beroep aanvoert dat het doen van vrijwilligerswerk door de ELN al wordt gezien als het verrichten van politieke activiteiten, volgt de rechtbank niet nu eiser heeft nagelaten deze stelling nader te onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
4.NL24.42369.