ECLI:NL:RBDHA:2026:20058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/091098-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging met vuurwapen en voorhanden hebben vuurwapen

Op 26 maart 2026 bedreigde de verdachte zijn ex-partner in de auto met een revolver, waarbij het wapen meerdere keren afging en hij dreigende woorden uitsprak. Tevens bedreigde hij haar telefonisch met ernstige bedreigingen. De verdachte had bovendien een vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden.

Tijdens de terechtzitting op 30 juni 2026 bekende de verdachte de feiten. De rechtbank achtte de bedreiging wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, de dochter, de verdachte zelf en diverse proces-verbalen. De verdediging voerde aan dat het tonen van het wapen niet bewezen was en dat de telefonische bedreiging onvoldoende was onderbouwd, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank oordeelde dat de bedreiging ernstig was, mede door het gebruik van een vuurwapen in een kleine ruimte met familieleden aanwezig, en dat de verdachte onder invloed van alcohol was. Gelet op het strafblad en het reclasseringsadvies met bijzondere voorwaarden, legde de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen. Daarnaast werd de teruggave van inbeslaggenomen kledingstukken aan de verdachte gelast. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 14 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/091098-26
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 30 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y. Karga naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 26 maart 2026 te Alphen aan den Rijn
[aangeefster] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- aan die [aangeefster] een vuurwapen (revolver) te tonen en/of (vervolgens) de
patronen uit het wapen te halen en (vervolgens) de patronen weer in het
wapen te stoppen, en/of
- (terwijl hij met die [aangeefster] in de auto zat) een of meerdere keren met het
wapen te schieten, althans het wapen af te laten gaan en/of (vervolgens)
tegen die [aangeefster] te zeggen "Het eerste schot was voor mij, de tweede was
voor jou bedoeld" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
en/of
- (vervolgens) tegen die [aangeefster] te zeggen "Ik maak je moeder af, ik maak je
vader af, ik maak jou af. Ik beloof het je, als ik dat niet doe, neuk ik mijn
eigen dochter. Ik kom morgen op je werk, je gaat het voelen, je gaat het
zien" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
hij op of omstreeks 26 maart 2026 te Alphen aan den Rijn
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een revolver, van het merk Taurus, type .38 Special, kaliber .38 Special
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
11 patronen revolver munitie van het kaliber .39 Special voorhanden heeft
gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Ten aanzien van feit 2 zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, zoals genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw voor dit feit geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026103803, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 84) en het proces verbaal met het nummer PL1500-2026103803 van het team Forensische Opsporing Eenheid Den Haag (aanvullend procesdossier doorgenummerd pagina 1 t/m 94).
Ten aanzien van feit 1:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 juni 2026, voor zover inhoudende:
Ik had een wapen toen ik bij mijn ex-vrouw in de auto zat. Er was een worsteling. Dat wapen is af gegaan in de auto.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 26 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 6):
Toen wij aankwamen bij het adres van [verdachte] , stapte [verdachte] uit. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij en [naam] zei: "Even wachten, ik kom zo". Op dat moment zag ik dat [verdachte] de woning in liep. Kort daarna, vrijwel direct, zag ik dat [verdachte] weer uit zijn woning liep, en naast mij in de bijrijdersstoel kwam zitten. Ik zag dat [verdachte] een wapen uit zijn zak haalde. Ik zag dat [verdachte] het wapen opende, ik zag dat er patronen in het wapen zaten en dat hij deze patronen uit het wapen haalde en er één terug in deed. Op dat moment duwde ik het wapen van [verdachte] weg en duwde ik het wapen tussen zijn benen naar de grond. Op dat moment een metaalachtige tik, dit was de tik van de slaghamer op het wapen, waar geen patroon uit kwam. Het werd daarna een soort worsteling, ik weet niet meer wat ik precies deed, maar wilde het wapen wegdrukken, ik hoorde [verdachte] dingen zeggen zoals "Hoer''. Op enig moment hoorde ik een harde knal en zag ik rook uit het wapen komen, toen hoorde ik [verdachte] tegen mij zeggen: "Het eerste schot was voor mij, de tweede was voor jou bedoeld." Op enig moment stapte [verdachte] uit en zag ik dat hij naar binnen liep. Ik ben daarna keihard naar huis gereden. [verdachte] belde mijn dochter [naam] continu. Op enig moment pakte ik de telefoon van [naam] en zei ik tegen [verdachte] dat het klaar moest zijn. Op dat moment hoorde ik hem tegen mij zeggen: "Ik maak je moeder af, ik maak je vader af, ik maak jou af. Ik beloof het je, als ik dat niet doe, neuk ik mijn eigen dochter." Ook zei hij: "Ik kom morgen op je werk, je gaat het voelen, je gaat het zien."
2. Het proces-verbaal van bevindingen​​​​​, opgemaakt op 26 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 11):
Ik, verbalisant , nam op 26 maart 2026 de aangifte op van aangeefster [aangeefster] aan het politiebureau te Alphen aan den Rijn. In dit proces-verbaal heb ik, verbalisant abusievelijk als pleegtijd aangegeven: Tussen donderdag 26 maart 2026 om 01:48 uur en donderdag 26 maart 2026 om 02:03 uur.
Dit had moeten zijn: Tussen woensdag 25 maart 2026 om 23:50 uur en donderdag 26 maart 2026 om 01:48 uur.
3. Het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de weergave van het gesprek tussen de verbalisant en [verdachte] , opgemaakt op 26 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 17):
Nadat mijn vader uitstapte, zei hij tegen ons dat wij, mijn moeder en ik, even
moesten wachten. Dit deden wij. Mijn vader liep zijn woning in. Na ongeveer 5
seconden liep hij de woning weer uit. Ik zag dat hij iets in zijn handen had. Ik zag dat hij naar de bijrijdersstoel liep. Daar ging hij zitten. Ik hoorde dat hij de patronen uit het vuurwapen haalde. Ik zag dat mijn moeder haar beide armen tegen mijn vader zijn linkerarm duwde. Ik hoorde dat mijn vader bleef schreeuwen. Terwijl hij bleef schreeuwen, hoorde ik een klik. Mijn vader bleef schreeuwen, ik hoorde dat mijn moeder zei: "stop niet doen nee niet doen". Hierna hoorde ik weer een klik, na die klik hoorde ik een schot. Ik hoorde dat dit schot door de bodem van de auto ging. Mijn moeder zei tegen mijn vader dat hij uit de auto moest stappen. Hij stapte uit en mijn moeder reed direct weg. Mijn moeder en ik reden terug naar huis. Wij waren ongeveer een uur thuis. Na dat uur mijn vader mij om 01:21 uur. Ik nam op en hoorde dat hij bleef schreeuwen en mij bleef uitschelden. Dit duurde een paar seconden waarna mijn moeder mijn telefoon en het gesprek met mijn vader overnam.
Ten aanzien van feit 2:
5. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 juni 2026;
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 maart 2026 (p. 30);
7. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing, opgemaakt op 26 maart 2026.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde bedreiging niet bewezen kan worden verklaard, omdat de opzet op de bedreiging ontbreekt. Zij voert daartoe aan dat het vasthouden van een wapen niet hetzelfde is als het tonen van een wapen. Ook stelt de verdediging zich op het standpunt dat de telefonische bedreiging niet bewezen kan worden verklaard, omdat niet aan het bewijsminimum wordt voldaan.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van de aangeefster, zowel in de auto als via de telefoon. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Opzet op bedreiging in auto
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte in zijn woning een wapen heeft opgehaald en dat hij daarmee naast de aangeefster in de auto is gaan zitten, waarna hij de patronen uit het wapen heeft gehaald en een patroon terug heeft gestopt. Het wapen was voor de aangeefster duidelijk zichtbaar. Zij heeft het wapen weggeduwd, er is een worsteling ontstaan en het wapen af is twee keer af gegaan. Bij het eerste schot klonk alleen een klik, bij het tweede schot is een kogel door de bodem van de auto afgevuurd. Daarna heeft de verdachte gezegd dat het eerste schot voor hem was en dat het tweede schot voor aangeefster was bedoeld.
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen en gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Uit de uitlatingen en gedragingen van de verdachte, waaronder het feit dat de verdachte het wapen in zijn woning heeft opgehaald nadat hij zei dat aangeefster even moest wachten, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van opzet op deze bedreiging. Het verweer van de verdediging dat de verdachte het wapen niet zou hebben getoond, is in het licht van het voorgaande onbegrijpelijk.
Telefonische bedreiging
Volgens artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De verklaring van die ene getuige moet in voldoende mate steun vinden in ander bewijs waarbij het verband tussen de getuigenverklaring en het overige bewijs niet te ver verwijderd mag zijn. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan.
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte via de telefoon onder andere tegen haar heeft gezegd: “Ik maak je af”. De telefonische bedreiging is niet als losstaand feit ten laste gelegd en moet worden gezien in de context van het incident in de auto, dat korte tijd voor het telefoongesprek plaatsvond. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de aangifte van de telefonische bedreiging. De aangifte vindt ook steun in hetgeen de dochter aan de verbalisant heeft verteld over het telefooncontact namelijk dat haar vader haar korte tijd na het incident in de auto heeft gebeld en dat hij toen tegen haar heeft geschreeuwd, waarna haar moeder de telefoon overnam.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op of omstreeks 26 maart 2026 te Alphen aan den Rijn
[aangeefster] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door
- aan die [aangeefster] een vuurwapen (revolver) te tonen en de
patronen uit het wapen te halen en vervolgens de patronen weer in het
wapen te stoppen, en
- terwijl hij met die [aangeefster] in de auto zat het wapen af te laten gaan en
tegen die [aangeefster] te zeggen "Het eerste schot was voor mij, de tweede was
voor jou bedoeld" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
en
- tegen die [aangeefster] te zeggen "Ik maak je moeder af, ik maak je
vader af, ik maak jou af. Ik beloof het je, als ik dat niet doe, neuk ik mijn
eigen dochter. Ik kom morgen op je werk, je gaat het voelen, je gaat het
zien" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
hij op of omstreeks 26 maart 2026 te Alphen aan den Rijn
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een revolver, van het merk Taurus, type .38 Special, kaliber .38 Special
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
11 patronen revolver munitie van het kaliber .39 Special voorhanden heeft
gehad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij bewezenverklaring een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht onder meer rekening te houden met het belang van de verdachte om zijn huis te behouden zodat hij zijn kinderen kan blijven ontvangen. Mocht de rechtbank een langere gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest opleggen, dan verzoekt de raadsvrouw om de verdachte voorlopig in vrijheid te stellen zodat de verdachte zijn huurschuld kan gaan regelen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft, in het bijzijn van één van hun kinderen, zijn ex-vrouw bedreigd met een vuurwapen. Hij heeft het wapen in zijn woning opgehaald en is vervolgens bij zijn ex-vrouw in de auto gestapt. Het wapen is daadwerkelijk afgegaan tijdens een worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer, waarna de verdachte heeft gezegd dat die kogel voor het slachtoffer was bedoeld. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer in heftige bewoordingen bedreigd via de telefoon.
Het incident met het vuurwapen in de auto moet heel beangstigend zijn geweest voor de ex-partner en de dochter van de verdachte, die op dat moment op de achterbank zat. Dit incident had heel anders kunnen aflopen. Het gebruik van een vuurwapen is op zichzelf al levensgevaarlijk, maar in een kleine ruimte als een auto – waarin op dat moment drie personen zaten – is de kans op slachtoffers nog groter. Bovendien was de verdachte onder invloed van alcohol. De rechtbank acht de gedragingen van de verdachte zeer kwalijk, in het bijzonder dat de verdachte in familiekring een wapen heeft gebruikt en in zeer duidelijke bewoordingen heeft gezegd zijn ex-vrouw te zullen doden.
Het vuurwapen is door de politie aangetroffen in het rookkanaal van een barbecue in de tuin van de verdachte. Het ongecontroleerd voorhanden hebben van een vuurwapen levert in de maatschappij een onaanvaardbaar risico en gevoelens van onveiligheid op, omdat het bezit van een vuurwapen regelmatig leidt tot het gebruik ervan, zoals in deze zaak het geval is geweest.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed en het overtreden van de Opiumwet.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 4 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van gemiddeld recidiverisico. Volgens de reclassering is het alcoholgebruik van de verdachte toegenomen vanwege financiële problemen en heeft alcoholgebruik een ontremmende werking op de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk een meldplicht, ambulante behandeling en ambulante begeleiding, een alcoholverbod, hulp bij het aflossen van schulden en indien nodig een verblijf in begeleid wonen of bijzondere opvang.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is voor bedreiging door het tonen van een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt vermeld. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verklaard dat hij inziet dat hij onder invloed van alcohol zeer zorgwekkend gedrag heeft vertoond. Ook heeft de verdachte aangegeven dat hij aan alle voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd mee wil werken.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden
voorwaardelijk en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van die straf een proeftijd van twee jaren verbinden om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank ziet geen reden de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen met het oog op het afreizen naar Turkije om daar van zijn moeder en niet met name genoemde familie en vrienden geld te lenen voor zijn huurschuld. Daartoe overweegt de rechtbank dat de huurschuld al geruime tijd voor het plegen van de feiten bestond en het de rechtbank niet duidelijk is geworden waarom de verdachte voor het lenen van geld voor zijn huurschuld naar Turkije moet afreizen. Het persoonlijk belang van de verdachte is in zoverre onvoldoende onderbouwd.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
Het standpunt van de verdediging en de vordering van de officier van justitie
De verdachte heeft verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen kledingstukken. De officier heeft gevorderd dat deze kledingstukken zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave van de kledingstukken genoemd op pagina 49 van het procesdossier aan de verdachte gelasten.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra er een behandelplaats beschikbaar is voor betrokkene. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, emotieregulatie en cognitieve vaardigheden;
- zich gedurende de proeftijd ambulant laat begeleiden door een door de reclassering te bepalen zorgorganisatie, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra er een begeleider beschikbaar is voor de veroordeelde. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding. De begeleiding is gericht op financiën, wonen en daginvulling;
- gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, verblijft in een door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Deze bijzondere voorwaarde wordt uitgevoerd op het moment dat de veroordeelde zijn huisvesting zou verliezen en door de reclassering aanleiding wordt gezien voor plaatsing in een dergelijke instelling;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
gelast de teruggave aan de veroordeelde van de kledingstukken, te weten: beige broek van het merk Under Armour (goednummer PL1500-2026103803-3483053) en beige vest van het merk Under Armour (goednummer PL1500-202 6103803-3483057);
wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.M. de Groes, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2026.