ECLI:NL:RBDHA:2026:20087
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensdetentie voor LHBTI-koppel
Eisers, een LHBTI-koppel, werden op 1 juli 2026 vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij voerden aan dat de maatregelen onrechtmatig waren vanwege het ontbreken van fysieke handtekeningen, de ernst van hun persoonlijke omstandigheden en medische klachten.
De rechtbank oordeelde dat de digitale ondertekening rechtsgeldig was en dat er geen wettelijke verplichting bestond tot een fysieke handtekening. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de minister terecht geen lichter middel toepaste, omdat de eisers geen bijzondere individuele omstandigheden hadden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maakten. De bejegening door andere gedetineerden vond niet plaats door mede-gedetineerden onder vreemdelingenrecht, maar door strafrechtelijk gedetineerden, en eisers konden terecht bij beveiligers.
Wat betreft de medische klachten stelde de rechtbank vast dat de medische zorg in het detentiecentrum vergelijkbaar is met die in de vrije maatschappij en dat er geen aanwijzingen waren dat deze zorg ontoereikend was. De enkele stelling dat niet voortvarend werd gereageerd, was onvoldoende. De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en wees de beroepen en verzoeken om schadevergoeding af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.