ECLI:NL:RBDHA:2026:20093

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09-085189-26, 09-220672-25 (TUL), 09-310366-25 (TUL) en 22-000255-23 (TUL)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 38p SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal met voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het stelen van een fles rode wijn uit een Albert Heijn supermarkt te Leiden op 21 maart 2026. De verdachte heeft het feit bekend en is herhaaldelijk veroordeeld voor soortgelijke vermogensdelicten.

De rechtbank heeft een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaren, met bijzondere voorwaarden zoals behandeling in een zorginstelling, verblijf in begeleid wonen, schuldhulpverlening en middelencontrole. Dit is gebaseerd op het strafblad, het hoge recidiverisico en het advies van de reclassering die een langdurige klinische opname noodzakelijk acht om het patroon van middelengebruik en delictgedrag te doorbreken.

De rechtbank heeft de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke gevangenisstraffen afgewezen om continuïteit van de behandeling bij de instelling te waarborgen. De ISD-maatregel wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaar waarin de verdachte zich aan de voorwaarden moet houden om tenuitvoerlegging te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor winkeldiefstal en opgelegd een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-085189-26, 09-220672-25 (TUL), 09-310366-25 (TUL) en
22-000255-23 (TUL)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in de [instelling] , aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. den Riet naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Leiden, althans in Nederland een fles rode wijn en/of port, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (locatie [adres 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de bewijsbeslissing van het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026097840 (hierna: het procesdossier), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 21).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 21 maart 2026 (p. 5);
3. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 21 maart 2026 (p. 9).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 21 maart 2026 te Leiden een fles rode wijn die aan Albert Heijn (locatie [adres 2] ), toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van een maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden de zijn geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte verzet tegen oplegging van de ISD-maatregel en heeft de rechtbank verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fles wijn uit een supermarkt. Een winkeldiefstal veroorzaakt overlast en financiële schade voor winkeliers en de samenleving. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft hij geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van anderen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 mei 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 31 maart 2026 en 25 juni 2026 die over de verdachte zijn opgesteld. Op de terechtzitting de reclasseringsmedewerker die de adviezen heeft opgesteld als deskundige gehoord. De verdachte ervaart volgens de reclassering instabiliteit op alle leefgebieden en er is sprake van een hoog recidiverisico. De verdachte heeft geen woning, geen werk en geen inkomen. De verdachte kampt al lange tijd met een alcohol- en drugsverslaving. Hij pleegt vermogensdelicten om in zijn gebruik te voorzien. Interventies binnen eerder reclasseringstoezicht zijn niet van de grond gekomen. De verdachte is op 11 mei 2026 in de [instelling] opgenomen. Uit het eerste multidisciplinaire overleg is gebleken dat hij zich goed inzet voor de behandeling.
De reclassering adviseert bij veroordeling aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een opname in een zorginstelling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole. Een langdurige klinische opname wordt als enige mogelijkheid gezien om het patroon van middelengebruik en delictgedrag te doorbreken. Door de voorwaarden kan bovendien ingezet worden op nazorg en het verkrijgen van stabiliteit na de klinische opname.
Op de terechtzitting heeft de getuige-deskundige desgevraagd verklaard dat de verdachte gemotiveerd is voor gedragsverandering en dat het van belang is dat hij de mogelijkheid krijgt de klinische opname voort te zetten en af te ronden. De reclassering acht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarbij de verdachte de kliniek zou moeten verlaten, hierdoor (nog) niet passend. De reclassering heeft het adviseren van een regulier voorwaardelijk kader overwogen, maar omdat eerdere klinische opnames en toezichttrajecten voortijdig negatief zijn beëindigd vanwege het middelengebruik van de verdachte, is een stevigere maatregel nodig. Een voorwaardelijke ISD-maatregel is daarom het meest passend, aldus de reclassering.
‘Harde’ vereisten ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.
Dit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 27 mei 2026 blijkt dat hij in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De rechtbank overweegt verder dat de verdachte valt onder de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Tot slot is voldaan aan de voorwaarde dat er over de verdachte een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering is dat minder dan één jaar voor de zittingsdatum is opgemaakt. Uit het rapport van 25 juni 2026 volgt dat de verdachte in het verleden vaak is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat de reclassering de kans op herhaling inschat als hoog. De rechtbank deelt die inschatting.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput, waardoor het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
De rechtbank stelt op basis van het reclasseringsadvies over de verdachte, zijn strafblad en het onderzoek op de terechtzitting vast dat de verdachte in zijn leven meerdere kansen heeft gekregen om zijn gedrag te veranderen, zonder dat dit tot de gewenste gedragsverandering heeft geleid. Eerder toezicht heeft de verdachte de afgelopen jaren niet kunnen bewegen om een bestaan zonder het plegen van delicten op te bouwen. Daarbij speelt de verslavingsproblematiek van de verdachte een grote rol.
Voorwaardelijke ISD-maatregel
Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor het belang van de verdachte bij het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht het voor de veiligheid van goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting is tegelijkertijd gebleken dat de verdachte gemotiveerd is zijn gedrag te veranderen. Daarom zal de rechtbank, conform het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie, bepalen dat de ISD-maatregel voorwaardelijk wordt opgelegd. Dit betekent dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd als de verdachte zich houdt aan de voorwaarden zoals die in de beslissing (het dictum) hieronder zijn opgenomen.
Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte alle kansen te geven om te werken aan een oplossing voor zijn problematiek, is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. De tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft gezeten wordt niet afgetrokken van de duur van de maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de voorwaarden die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel worden verbonden, gelden gedurende een proeftijd van twee jaren. Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij gedurende deze periode bereid en in staat is om zich te committeren aan de door de rechtbank op te leggen voorwaarden. Als dat niet lukt, ligt tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de rede om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 27 mei 2026 wegens niet naleving van de algemene voorwaarde tenuitvoerlegging gevorderd van:
- de bij parketnummer 09-220672-25 door de politierechter in deze rechtbank op
6 augustus 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 18 dagen;
- de bij parketnummer 09-310366-25 door de politierechter in deze rechtbank op
20 november 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 7 dagen;
- de bij parketnummer 22-000255-23 door het gerechtshof ’s-Gravenhage op
7 november 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie ten aanzien van alle vorderingen het standpunt ingenomen dat deze dienen te worden afgewezen, omdat hij het van belang acht dat de behandeling van de verdachte bij [instelling] wordt gecontinueerd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen af te wijzen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet dat er gronden zijn voor de tenuitvoerlegging van de drie voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen. De verdachte heeft de algemene voorwaarde immers niet nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij de voormelde uitspraken zijn opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht toewijzing van deze vorderingen echter niet opportuun, omdat zij aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel zal opleggen en continuïteit van de behandeling van de verdachte bij [instelling] van groot belang wordt geacht. De rechtbank zal de vorderingen daarom afwijzen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38p en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat die maatregel
nietzal worden ten uitvoer gelegd onder de
algemene voorwaardedat de veroordeelde:
  • zich voor het einde van de hierbij op
  • ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
en onder de
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
2. zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, ter behandeling laat opnemen en behandelen door [instelling] , of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie.
De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing,
cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek.
Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
4. gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
6. gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor Leiden tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan hulp en steun te verlenen;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vorderingen tenuitvoerlegging
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 6 augustus 2025, gewezen onder parketnummer
09-220672-25, af;
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 20 november 2025, gewezen onder parketnummer
09-310366-25, af;
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, opgelegd bij voormeld arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 7 november 2023, gewezen onder parketnummer
22-000255-23, af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2026.