ECLI:NL:RBDHA:2026:201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11241848 RL EXPL 24-14643
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding wegens vertraging van een vlucht door buitengewone omstandigheden

In deze zaak vorderden de eisers, een groep passagiers, schadevergoeding van TUI Airlines Nederland B.V. wegens vertraging van hun vlucht van Punta Cana naar Amsterdam. De vlucht, onderdeel van een rotatievlucht, arriveerde met meer dan drie uur vertraging. De eisers stelden dat zij recht hadden op compensatie op basis van de EU-verordening 261/2004, die passagiers beschermt tegen vertragingen en annuleringen. TUI voerde echter aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, zoals een 100%-controle door de Koninklijke Marechaussee en een passagier die ging roken, waardoor de vlucht niet op tijd kon vertrekken. De kantonrechter oordeelde dat de vertraging niet aan TUI kon worden toegerekend, omdat de luchtvaartmaatschappij alle redelijke maatregelen had getroffen om verdere vertraging te voorkomen. De vordering van de passagiers werd afgewezen, en zij werden veroordeeld in de proceskosten van TUI.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats 's-Gravenhage
CB/c
Rolnummer: 11241848 / RL EXPL 24 – 14643
6 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eisers sub 1] , wonende te [woonplaats 1] ,

2.
[eisers sub 2], wonende te [woonplaats 1] ,
3.
[eisers sub 3], wonende te [woonplaats 2] ,
4.
[eisers sub 4], wonende te [woonplaats 2] ,
5.
[eisers sub 5], wonende te [woonplaats 3] ,
6.
[eisers sub 6], wonende te [woonplaats 3] ,
7.
[eisers sub 7], wonende te [woonplaats 4] (België),
8.
[eisers sub 8], wonende te [woonplaats 4] (België),
eisende partijen,
hierna te noemen: ‘ [eisers] ’ of ‘de passagiers’,
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V.),
tegen
de besloten vennootschap
TUI Airlines Nederland B.V.,
(statutair) gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD).

1.Het procesverloop

1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 5 juli 2024 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5);
  • de conclusie van antwoord van 9 oktober 2024 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5);
  • de conclusie van repliek van 4 maart 2025 met drie productie (nrs. 6 tot en met 8);
  • de conclusie van dupliek van 14 oktober 2025.
1.2
Bij brief van 14 oktober 2025 heeft de griffie partijen op de hoogte gesteld dat de kantonrechter op 6 januari 2026 vonnis zou wijzen. Partijen hebben zich daarop niet gemeld met het verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling, zodat op basis van de gewisselde processtukken vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1
[eisers] hadden een boeking voor TUI-vlucht [vluchtnummer 1] van Punta Cana Airport (Dominicaanse Republiek) naar Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) op [datum] 2022.
2.2
Samen met passagiers [eisers sub 2] en [eisers sub 1] reisden hun twee minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3
De vlucht maakte deel uit van een rotatievlucht Amsterdam – Punta Cana – Bonaire - Amsterdam. De geplande vluchttijden waren:
vertrektijd aankomsttijd
Amsterdam 14:00 uur
Punta Cana 19:00 uur 18:00 uur
Bonaire 21:25 uur 21:00 uur
Amsterdam 13:15 uur (+1 dag) [1]
2.4
Vlucht [vluchtnummer 1] is met een vertraging van meer dan drie uur in Amsterdam gearriveerd.

3.De vordering

3.1
[eisers] , vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I.) TUI te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 3.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, te rekenen vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (II.) TUI te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 425,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten te rekenen vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (III.) TUI te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; (IV.) TUI te veroordelen in de nakosten van het te wijzen vonnis.
3.2
Aan hun vordering leggen [eisers] ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; ‘de Verordening’) en (onder meer) de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2008 (C-549/07, Wallentin-Hermann-arrest), van 19 november 2009 (C-402/07, Sturgeon-arrest) hen recht geven op een vergoeding van
€ 300,00 per persoon, inclusief de minderjarige kinderen, in verband met de vertraging van hun vlucht van Punta Cana Airport (Domincaanse Republiek) naar Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) naar op [datum] 2022.

4.Het verweer

4.1
TUI voert gemotiveerd verweer tegen de vordering van [eisers] Het verweer komt erop neer dat bij de uitvoering van de vlucht een vertraging is ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Hierdoor is TUI niet gehouden de passagiers een vergoeding voor de vertraging die zij hebben ondervonden te betalen.

5.De beoordeling

5.1
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
5.2
In haar conclusie van antwoord heeft TUI gesteld dat voor de baby van passagiers [eisers sub 1] en [eisers sub 2] geen afzonderlijk ticket is gekocht, waardoor deze baby gratis heeft gereisd en daarom hoe dan ook geen recht heeft op compensatie. In hun conclusie van repliek zijn de passagiers niet meer op die stelling teruggekomen, zodat het ervoor wordt gehouden dat de passagiers zich bij dat verweer neerleggen. De vordering van passagiers [eisers sub 1] en [eisers sub 2] met betrekking tot hun baby zal daarom in ieder geval worden afgewezen.
5.3
Aan de vertraagde aankomst van het vliegtuig, waarmee vlucht [vluchtnummer 1] is uitgevoerd is volgens TUI het volgende vooraf gegaan. Het betreffende vliegtuig heeft voorafgaand aan de vlucht in kwestie een vlucht (met vluchtnummer [vluchtnummer 2] ) uitgevoerd, waarvan het om 13:30 uur, met een vertraging van ongeveer 1:50 uur is teruggekeerd. Het vliegtuig kon echter niet plaatsnemen aan de toegewezen Gate G8, omdat die gate nog bezet werd gehouden door een ander vliegtuig. Dat vliegtuig was onderworpen aan een zgn. 100%-controle door de Koninklijke Marechaussee. 100%-controles worden onverwacht en steeksproefgewijs uitgevoerd. Als gevolg hiervan kon het vliegtuig pas om 14:37 uur aan de gate plaatsnemen, een verdere vertraging van 1:07 uur.
5.4
Een verdere vertraging is opgelopen omdat tijdens het wachten op het beschikbaar komen van de gate een passagier was gaan roken. Deze passagier moest door de Koninklijke Marechaussee voor de andere passagiers uit het vliegtuig worden gehaald, hetgeen een verdere vertraging heeft veroorzaakt.
5.5
Al met al is vlucht [vluchtnummer 1] pas om 17:31 uur, dus met een vertraging van 3:31 uur uit Amsterdam vertrokken. Het vliegtuig heeft gedurende de rotatievlucht via Punta Cana en Bonaire deze vertraging niet meer kunnen goedmaken, waardoor het vliegtuig uiteindelijk met een vertraging van ongeveer 3:30 uur weer is Amsterdam is teruggekeerd.
5.6
De passagiers hebben de stellingen van TUI ten aanzien van bovengenoemde factoren niet betwist, zodat de kantonrechter daar bij de verdere beoordeling vanuit zal gaan.
5.7
In dit geschil dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de vertraging, die het gevolg is van de verlate aankomst van de voorgaande vlucht [vluchtnummer 2] , nog van invloed is op de vertraging van de vlucht in kwestie. Immers, vlucht [vluchtnummer 2] kan pas als gearriveerd worden beschouwd bij aankomst aan de gate en dat moment was om 14:37 uur.
5.8
In de regel is de vertraging opgelopen tijdens een rotatievlucht, die zich uitstrekt over meerdere dagen, niet aan te merken als een rotatievlucht in de zin van het Peskova-arrest [2] , omdat hetgeen het Hof in dat arrest heeft beslist ten aanzien van rotatievluchten in de regel beperkt is tot opvolgende rotatievluchten, die met een bepaald vliegtuig op een dag worden verricht. Daarbij is er weinig ruimte voor de luchtvaartmaatschappij om vertragingen op te vangen door het inzetten van ander materieel.
5.9
Dat is anders op rotatievluchten, die zich over twee of meer dagen uitstrekken, omdat dan vaak reeds bij vertrek te voorzien is dat het vliegtuig bij terugkomst een zodanige vertraging heeft dat de opvolgende vlucht ook met vertraging zal worden uitgevoerd, In die gevallen heeft een luchtvaartmaatschappij wel mogelijkheden om een vervangend vliegtuig te vinden.
5.1
In dit specifieke geval echter is de vertraging van vlucht [vluchtnummer 2] pas ontstaan toen het vliegtuig nagenoeg bij de toegewezen Gate G8 kwam, die echter bezet bleek. De kantonrechter is van oordeel dat in zo een specifiek geval ook hetgeen beslist is ten aanzien van rotatievluchten van toepassing kan worden verklaard op de vlucht in kwestie, waardoor deze als buitengewone omstandigheid heeft te gelden. Die vertraging is immers ontstaan als gevolg van de beslissing van de Koninklijke Marechaussee om het vliegtuig eerder Gate G8 gebruikt aan een 100%-controle te onderwerpen. Dat is een beslissing geweest, waarop TUI geen enkele invloed kon uitoefenen.
5.11
Met het voorgaande is tevens het antwoord gegeven op de vraag of TUI alle redelijke maatregelen heeft getroffen om (verdere) vertraging te voorkomen of te beperken. TUI had namelijk een vliegtuig beschikbaar en niet valt in te zien hoe zij onder de gegeven omstandigheden het vertrek van vlucht [vluchtnummer 1] had kunnen bespoedigen.
5.12
De vertraging als gevolg van het wachten op het beschikbaar komen van Gate G8 bedroeg 1:07 uur, welke vertraging volgens geldende jurisprudentie van de totale vertragingstijd mag worden afgetrokken. Daarmee komt de voor de vraag of vertraging meer of minder bedraagt dan 3 uur uit op een vertraging van 2:23 uur. Daarmee zal de vordering van de passagiers worden afgewezen.
5.13
Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen de passagiers worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van TUI, begroot op:
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
595,00

6.De beslissing

De kantonrechter:
- wijst de vordering van de passagiers af;
- veroordeelt [eisers] in de proceskosten aan de zijde van TUI, begroot op een bedrag van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TUI niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling van [eisers] uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Alle tijden in dit vonnis zijn lokale tijden, tenzij anders vermeld
2.Arrest van het Europese Hof van Justitie van 4 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:342