ECLI:NL:RBDHA:2026:20101

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.11846
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 83 VreemdelingenwetVreemdelingenwet 2000VluchtelingenverdragRichtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Turkije

Eiser, van Turkse nationaliteit en Koerdische afkomst, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende onderdrukking in Turkije. Hij baseerde zijn vrees op zijn lidmaatschap van de DEM-partij en de situatie van zijn vader, die ook betrokken was bij deze partij. De minister wees de aanvraag af omdat eiser geen voldoende concreet risico op vervolging aannemelijk had gemaakt.

De rechtbank behandelde het beroep en liet enkele stukken buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde, waaronder onvertaalde documenten die te laat waren ingediend. De toegelaten stukken boden onvoldoende bewijs voor een individuele bedreiging van eiser.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat zijn activiteiten voor de DEM-partij marginaal waren. Ook was er geen bewijs dat zijn vader in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten stond. De medische stukken en verklaringen van derden waren te algemeen en niet toegespitst op eiser.

Daarom concludeerde de rechtbank dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en wees het beroep af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.11846
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum] 1988, van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Inleiding

1. Eiser heeft op 13 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 februari 2026 deze aanvraag afgewezen.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. Daarna heeft eiser nog aanvullende stukken ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer H. Erarslan als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij de Turkse nationaliteit heeft en tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort. Hij verklaart Turkije te hebben verlaten vanwege de onderdrukking die hij heeft ervaren vanwege zijn Koerdische etniciteit. Zijn vader heeft jarenlang activiteiten verricht voor de DEM-partij. Eiser verklaart zelf ook lid te zijn van die partij, maar hij heeft geen officiële taken voor die partij verricht. Hij heeft alleen vrijwilligerswerk voor de partij uitgevoerd. Eiser vreest bij terugkeer naar Turkije voor problemen met de Turkse autoriteiten vanwege zijn activiteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • zijn identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • zijn Koerdische etniciteit;
  • zijn politieke overtuiging.
De minister acht alle asielmotieven geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [1] . Ten aanzien van eisers Koerdische etniciteit overweegt de minister dat eiser weliswaar problemen heeft ondervonden in Turkije, maar dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat bij terugkeer sprake is van een situatie waarin het voor hem onmogelijk is op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.
4.1.
Ten aanzien van eisers politieke overtuiging stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor een risico op vervolging vanwege zijn lidmaatschap van de DEM-partij. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf het moment van zijn lidmaatschap in 2011-2012 daadwerkelijk actief is geweest voor de DEM-partij. Daarnaast zijn zijn activiteiten marginaal geweest en heeft eiser nooit problemen ondervonden vanwege zijn eigen activiteiten. Ook heeft eiser zijn politieke mening niet actief in Turkije geuit, geen grote rol vervuld binnen de DEM-partij en in Nederland geen politieke activiteiten ondernomen. De minister concludeert daarom dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft. Daarom wordt niet aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Turkije daadwerkelijk op een zodanige manier politiek actief zal zijn of zich zodanig zal uiten dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zal komen te staan. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
De beoordeling van de rechtbank
5. De rechtbank wijst voorafgaand aan de bespreking van de beroepsgronden op het arresten van het Hof [2] van 4 juni 2026 in de zaken Quotal [3] en Ebilum [4] . Daarin heeft het Hof geoordeeld dat de nationale rechter in eerste aanleg bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het in het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade en over de gegrondheid van het verzoek en dat de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken. [5] Deze bevoegdheid gaat verder dan een “enigszins terughoudende toets” van het bestreden besluit. De nationale rechter in eerste aanleg komt naar het oordeel van het Hof de bevoegdheid toe om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de feitelijke en juridische elementen en van de behoefte aan internationale bescherming van eiser.
Indiening van aanvullende stukken
6. De rechtbank beoordeelt of de door eiser enkele dagen voor de zitting en buiten de tien dagen termijn ingediende (voor een deel onvertaalde) stukken op grond van artikel 83, eerste en derde lid, van de Vreemdelingenwet [6] buiten beschouwing moeten worden gelaten in verband met strijd met de goede procesorde of wanneer de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
7. Op 30 juni 2026 heeft eiser twee onvertaalde Turkse stukken ingediend; een verklaring van zijn Turkse advocaat en een verklaring van het wijkhoofd van de wijk [naam 1] . Op 3 juli 2026 heeft eiser daarvan de vertaling ingediend. Eiser heeft eveneens op 30 juni 2026 een uitdraai van zijn medisch dossier en een e-mailwisseling geüpload tussen hem en VluchtelingenWerk [7] waarin hij documenten in de bijlage van die e-mail toelicht. De bijlagen bij deze e-mail betreffen een onvertaald Turks vonnis van 25 pagina’s waaruit volgens eiser blijkt dat zijn vader is vervolgd voor betrokkenheid bij een terroristische organisatie, een onvertaalde Turkse verklaring van een wijkhoofd van de wijk [naam 2] en een onvertaalde Franse uitspraak waaruit volgens eiser blijkt dat aan zijn broer een asielvergunning is verleend.
8. De rechtbank laat de uitdraai van het medisch dossier van eiser, de verklaring van de Turkse advocaat (voorzien van een vertaling) en de verklaring van het wijkhoofd van de wijk [naam 1] (voorzien van een vertaling) toe in de procedure, nu de minister op zitting voldoende in de gelegenheid is geweest om op deze stukken te reageren.
9. De minister heeft op de zitting een beroep gedaan op de ontoelaatbaarheid van het onvertaalde Turkse vonnis, de onvertaalde verklaring van het wijkhoofd van de wijk [naam 2] en de onvertaalde Franse stukken in het kader van de goede procesorde. De rechtbank volgt de minister en is van oordeel dat deze stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten in verband met strijd met de goede procesorde. De tolk op zitting heeft gezegd de stukken ter plekke te willen vertalen, maar dit was niet uitvoerbaar door de lengte en complexiteit ervan. De minister heeft op deze manier niet adequaat op de stukken kunnen reageren, maar ook de rechtbank is zonder vertaling van deze stukken onvoldoende in staat om de inhoud daarvan te beoordelen. Dat eiser binnen de asielprocedure is gebonden aan een aantal woorden dat het vertaalbureau ELAN per ingediend stuk kan vertalen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De verantwoordelijkheid van de vertaling van de voor eisers asielaanvraag van belang zijnde stukken ligt bij eiser, nu het op zijn weg ligt om zijn asielaanvraag op relevante onderdelen met documenten te onderbouwen. [8] De rechtbank overweegt dat de stukken ook niet tijdens de algemene procedure maar in beroep zijn overgelegd waardoor de minister niet (langer) verantwoordelijk is voor de vertaling daarvan. [9] Tot slot merkt de rechtbank op dat uit de stukken blijkt dat het Turkse vonnis en de Franse uitspraak dateren van 2022 en 2025. Eiser heeft geen uitleg gegeven over het late indienen van deze stukken en dit betekent dat eiser deze stukken eerder in de procedure had moeten inbrengen.
Bespreking van de beroepsgronden
10. Eiser voert in beroep het volgende aan. Volgens eiser heeft de minister in strijd gehandeld met het landgebondenbeleid, waarin DEM-leden en activisten worden aangemerkt als risicoprofiel. [10] De minister heeft niet onderkend dat eiser binnen dit risicoprofiel valt en onvoldoende rekening gehouden met de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije [11] . Daaruit blijkt dat DEM-leden en familieleden van DEM-leden een verhoogd risico lopen op vervolging of ernstige schade bij terugkeer.
11. De minister blijft in het verweerschrift bij zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft door middel van op hem betrekking hebbende factoren. Ook is niet gebleken dat de discriminatie die eiser heeft ervaren zodanig ernstig is dat hij in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt waardoor het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.
12. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft. Niet is gebleken dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft. Ook zijn eisers activiteiten voor DEM marginaal geweest en heeft hij zelf geen problemen ondervonden vanwege deze activiteiten in Turkije. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank daarom niet in geslaagd om zijn gegronde vrees voor vervolging concreet te maken. De verklaringen van eisers Turkse advocaat en het wijkhoofd van de wijk [naam 1] maken dit niet anders. Deze verklaringen zijn namelijk niet toegespitst op het individuele geval van eiser. Dat er aan de wijkagent door veiligheidstroepen naar informatie is gevraagd over gezinsleden van de familie van eiser, dat de vader van eiser een aantal keer door veiligheidstroepen in het verleden is meegenomen en dat het de familie van eiser jarenlang angst heeft bezorgd is naar het oordeel van de rechtbank te algemeen. De verklaring van de Turkse advocaat is eveneens niet op eisers individuele situatie van toepassing, maar beschrijft enkel in algemene zin de situatie van de vader van eiser en dat zijn gezin daardoor psychische druk en op maatschappelijk vlak negatieve gevolgen daarvan heeft ondervonden. Dat deze verklaring betrekking heeft op eiser is ook onaannemelijk, omdat eiser verklaard heeft in 2013 uit de wijk [naam 3] te zijn vertrokken naar Istanbul.
12.1.
Dat de gestelde mentale problemen van eiser zijn oorzaak vinden in de jarenlange onderdrukking van eiser in Turkije vanwege zijn politieke activiteiten en Koerdische etniciteit, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. De uitdraai van eisers medische dossier is niet voorzien van een toelichting. Uit de inhoud van het stuk zelf kan de rechtbank niet opmaken dat er een verband is tussen de gestelde problemen in Turkije en de psychische problemen van eiser. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de discriminatie die hij vanwege zijn Koerdische afkomst heeft ondervonden zodanig ernstig is dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser heeft verklaard dat hij Turkije weliswaar heeft verlaten vanwege zijn problemen, maar ook al sinds 2013 tussen Istanbul en meerdere landen heen en weer heeft gereisd om daar een aantal maanden te kunnen werken. Daarnaast geldt dat eiser in 2021 met een kennismigrantenvergunning naar Nederland is gekomen en dat eiser nog twee jaar heeft gewacht met het indienen van de aanvraag om asiel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
13. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij zijn asielrelaas zo heeft willen vertellen dat er naast zijn eigen persoonlijke problemen, ook moet worden gekeken naar wat zijn familie heeft meegemaakt evenals de algemene problemen van zijn vader. De rechtbank merkt dit niet zo zeer aan als nieuw of achtergehouden asielmotief, nu eiser hier al wel eerder over heeft verklaard, maar acht dit asielmotief onvoldoende concreet. De rechtbank verwijst in eerste instantie naar wat is overwogen in rechtsoverweging 12-12.1. Eiser verklaart in zijn gehoren dat zijn vader actief lid is van de DEM-partij, maar dat hij door zijn vader altijd op afstand is gehouden en dat eiser daar zelf geen problemen door heeft ondervonden. Eiser verklaart verder dat zijn vader geen officiële functie heeft vervuld, maar hielp met bijvoorbeeld het ontvangen van mensen en het bijwonen van begrafenissen en toespraken. Ook verklaart eiser dat zijn vader een actievere rol had tijdens verkiezingen en dat zijn vader veel geweld en onderdrukkingen heeft meegemaakt, maar ook hier verklaart eiser opnieuw dat hij door zijn vader op afstand werd gehouden en dat hij zelf geen problemen heeft ondervonden. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat zijn vader ook daadwerkelijk in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Daarbij mist de rechtbank ook de koppeling met het Algemeen Ambtsbericht over Turkije dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft als familielid van een DEM-lid. Eiser heeft niet in zijn gronden en niet op zitting concreet gemaakt dat de situaties die in het ambtsbericht worden benoemd ook op hem van toepassing zijn. De beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447.
4.C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448.
5.Uitleg van het Hof van artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn), gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
6.Vreemdelingenwet 2000.
7.VluchtelingenWerk Nederland.
8.Dit blijkt ook uit artikel 4:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Dat blijkt uit pagina 8 van de Werkinstructie (WI) 2024/5 ‘(Samen)werken met een tolk’.
10.Op grond van paragraaf C2/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
11.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025.