ECLI:NL:RBDHA:2026:20116

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
23/1984
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift naheffingsaanslag BPM bevestigd

Verweerder legde eiseres op 3 juni 2022 een naheffingsaanslag BPM op. Eiseres diende op 29 juli 2022 een bezwaarschrift in, dat door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn. Eiseres stelde dat de termijn niet van toepassing was vanwege Unierechtelijke overwegingen, maar de rechtbank volgde de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de termijn wel geldt.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend en dat eiseres geen feiten of omstandigheden had gesteld die het verzuim konden rechtvaardigen. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring terecht. De rechtbank ging niet in op de inhoudelijke bezwaren van eiseres.

Eiseres verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn van ruim twee jaar en negen maanden was overschreden, maar dat eiseres geen aantoonbare spanning of frustratie had geleden die vergoeding rechtvaardigde. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Walderveen op 14 juli 2026. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den hAAg

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1984
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

/

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 3 juni 2022 een naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.
Eiseres heeft hiertegen bij brief van 29 juli 2022 een bezwaarschrift ingediend.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 14 december 2022 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 3 juni 2022 een naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
2. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 29 juli 2022, door verweerder ontvangen op
2 augustus 2022, een bezwaarschrift ingediend.
Geschil en beoordeling van het geschil
3. In geschil is of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.
4. Niet in geschil is, en de rechtbank heeft geen reden anders te oordelen, dat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
5. Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
6. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat eiseres noch in haar beroepschrift noch in haar nadere stukken feiten en/of omstandigheden heeft gesteld betreffende de te late indiening van het bezwaarschrift. Ook ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres niet aangegeven dat de tijdige ontvangst van de naheffingsaanslag wordt betwist.
7. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat beslissingen op basis van nationale regelingen, zoals de bezwaartermijn van artikel 6:7 van Pro de Awb, geen betekenis kan toekomen in een Unierechtelijk geschil.
8. Het hanteren van deze termijn is niet in strijd met het Unierecht, zo blijkt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:AF0193). Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling van de bezwaren van eiseres komt de rechtbank dus niet toe.
9. Gelet hierop zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Verzoek tot vergoeding van immateriële schade
10. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn begint als regel te lopen op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Het bezwaarschrift in deze zaak is op 2 augustus 2022 door verweerder ontvangen. Deze ontvangstdatum van bezwaar moet als uitgangspunt worden genomen bij het bepalen van de redelijke termijn. Op het moment van uitspraak zijn er sinds het bezwaar twee jaar en (ruim) negen maanden verstreken.
12. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen grond is om aan te nemen dat bij eiseres sprake is (geweest) van spanning en frustratie.
13. Daartoe overweegt zij het volgende. Ten aanzien van de uitspraak op bezwaar van
14 december 2022 waarbij het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, heeft eiseres – in ieder geval tot aan haar pleitnota van
23 oktober 2025 – geen gronden aangevoerd aangaande de niet-ontvankelijkverklaring. Eiseres heeft zowel in bezwaar als in beroep standaard gronden ingediend. Eiseres heeft verder zowel in bezwaar als in beroep standaardgronden ingediend tegen de naheffingsaanslag als zodanig.
14. Gegeven deze feiten en omstandigheden kan bij eiseres noch haar gemachtigde geen spanning en frustratie zijn ontstaan. De uitkomst van het bezwaar en beroep zijn volstrekt duidelijk. Geen spanning en frustratie betekent, dat geen voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook af.
15. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummers SGR 23/1995, SGR 23/1996 en SGR 23/1998 die een vrijwel identieke geschillen betreffen en die op dezelfde zitting zijn behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat slechts in dit beroep het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt beoordeeld.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).